| 30536 |
hanggoot |
bakmodel hanggoot:
bakmodɛl haŋgǭǝt (Q117p Nieuwenhagen),
halfronde goot:
hāfroŋ gǭǝt (Q117p Nieuwenhagen),
mastgoot:
mas˲gǭǝt (Q117p Nieuwenhagen)
|
Goot die met behulp van gootijzers op de muurplaat, op de kepers of op de boeiplank wordt vastgeschroefd. Zie ook afb. 84b. [N 64, 148b; N 54, 187]
II-9
|
| 30489 |
hangsteiger |
hangstoel:
haŋštōǝl (Q117p Nieuwenhagen)
|
Steiger waarop de dakdekker staat wanneer hij het onderste deel van de dakbedekking vervaardigt. De steiger bestaat uit vier planken die op zogenaamde steigerbokken rusten. Het geheel wordt met touwen aan de muur bevestigd. Zie ook het lemma 'Hangende steiger'. Het betreft daar een vergelijkbare steiger die door de metselaar wordt gebruikt. [N F, 11; N 64, 147a]
II-9
|
| 18979 |
hansworst |
hampelmann (du.):
hàmpələmāān (Q117p Nieuwenhagen),
hansworst:
hanswōēësj (Q117p Nieuwenhagen)
|
iemand die zich belachelijk aanstelt [hanswordt, polichinelle] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 21413 |
hard schreeuwen |
hel keken:
hel kèke (Q117p Nieuwenhagen)
|
hard schreeuwen; je moet - - anders verstaat hij ons niet [DC 03 (1934)]
III-3-1
|
| 25147 |
hard waaien |
hel winden:
hél winge (Q117p Nieuwenhagen),
stormen:
sturmen (Q117p Nieuwenhagen)
|
hard waaien [boezen] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 21905 |
hard werken |
schuften (du.):
Van Dale (DN): schuften, hard werken, zwoegen, ploeteren.
sjŏĕftə (Q117p Nieuwenhagen)
|
geregelde arbeid verrichten; zijn taak, beroep of bedrijf uitoefenen [werken, arbeiden, wrochten] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 25027 |
hard, luid |
hel:
hééël (Q117p Nieuwenhagen)
|
hard klinkend [hard, luid] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 22470 |
harde puntslag van een priktol |
piek:
pik (Q117p Nieuwenhagen)
|
Een harde puntslag van een priktol op een andere die ligt of draait [pramooi, pikadder, pug, peg, punk, piek, piko, keek, mok]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 33684 |
harde, lastige grond |
klevenaarde:
klēvǝnērt (Q117p Nieuwenhagen),
klęvǝnęt (Q117p Nieuwenhagen)
|
Harde, zware grond die moeilijk te bewerken is. [N 27, 33; R 3, 6; A 10, 4; monogr.]
I-8
|
| 18036 |
hardlijvigheid, hardlijvig (zijn) |
aan de helle zijn:
an dər hèllə zīēë (Q117p Nieuwenhagen),
verstopping:
vərsjtōpping (Q117p Nieuwenhagen)
|
Constipatie: verstopping, hardlijvigheid (beslotenheid, constipatie, obsteeg afgaan). [N 84 (1981)]
III-1-2
|