| 22359 |
hoepelen |
hoepelen:
hupələ (Q117p Nieuwenhagen),
repen:
rēpə (Q117p Nieuwenhagen)
|
b) Met de hoepel spelen [hoepelen, banden, repen]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 18319 |
hoepelrok |
reeprok:
reeprok (Q117p Nieuwenhagen)
|
hoepelrok [reekerok] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18017 |
hoest |
hoest:
hōs (Q117p Nieuwenhagen
[(Oranje-Nassau II / Emma / Hendrik)]
[Zwartberg, Waterschei])
|
Hoest als gevolg van het mijnstof. [N 95, 964]
II-5
|
| 18018 |
hoesten |
hoesten:
hooste (Q117p Nieuwenhagen, ...
Q117p Nieuwenhagen)
|
hoesten [keche, kechelen] [N 10a (1961)]
III-1-2
|
| 21866 |
hogen |
verhogen:
vərhūūëgə (Q117p Nieuwenhagen)
|
de eerder geboden som verhogen op een veiling [hogen, een hoog zetten] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 33398 |
hok voor de beer |
berekot:
bērǝkǫt (Q117p Nieuwenhagen)
|
Soms gebruikt men, in aansluiting bij de benamingen voor het hok van de zeug, ook specifieke benamingen voor de hokken van de beer, de mestvarkens en de biggen. Deze laatste staan in de drie volgende lemma''s bijeen. [N 76, 41e]
I-6
|
| 31168 |
holpijp |
houwpijp:
howpīp (Q117p Nieuwenhagen)
|
Stalen staafje dat van onderen in een scherp gerand kokertje uitloopt. De holpijp wordt gebruikt om gaten te maken in dun plaatmateriaal. Men slaat er een plaatje van een bepaalde (vaak ronde) vorm mee uit. Zie ook afb. 135 en het lemma "holpijpje" in Wld II.10, pag. 30. Het betreft daar een vergelijkbaar werktuig voor het maken van gaatjes in leer. [N 33, 326; N 64, 73]
II-11
|
| 24323 |
hom |
melk:
WBD/WLD
millək (Q117p Nieuwenhagen),
ziel:
WBD/WLD
zĭĕjl (Q117p Nieuwenhagen)
|
Hoe noemt u het voortplantignsvocht van mannelijke vissen (hom, melk, geiltje) [N 83 (1981)]
III-4-2
|
| 24324 |
hommel |
hommel:
WBD/WLD
hōōməl (Q117p Nieuwenhagen)
|
Hoe noemt u een soort bij: groot, breed gebouwd en meestal kleurig behaard (bruinrood of geel) (hommel) [N 83 (1981)]
III-4-2
|
| 20524 |
homp brood |
homp:
homp (Q117p Nieuwenhagen),
knode weg:
knaoë wék (Q117p Nieuwenhagen)
|
homp; Hoe noemt U: Een dik stuk brood (homp, fomp, facht, hoft, knods, knoft, kreeuw) [N 80 (1980)]
III-2-3
|