| 18144 |
gebrekkig |
gebrekkelijk:
Meest frequent
inne gebrekkelijke mins (P117p Nieuwerkerken),
gebrekkig:
inne gebrekkige mins (P117p Nieuwerkerken)
|
een gebrekkig mens [ZND 23 (1937)]
III-1-2
|
| 18145 |
gebrekkig persoon |
gebrekkelijke mens:
Meest frequent
inne gebrekkelijke mins (P117p Nieuwerkerken),
gebrekkige mens:
inne gebrekkige mins (P117p Nieuwerkerken)
|
een gebrekkig mens [ZND 23 (1937)]
III-1-2
|
| 22436 |
gebruik |
gewoonte:
gewoante (P117p Nieuwerkerken),
gəwoəntə (P117p Nieuwerkerken)
|
Dat is maar een gewoonte. [ZND 35 (1941)] || Dat is zo het gebruik (de woonte, enz.). [ZND 23 (1937)]
III-3-2
|
| 19090 |
gedienstig |
gedienstig:
hiə is gedinsteg (P117p Nieuwerkerken)
|
Hij is gedienstig (geneigd om dienst te bewijzen). [ZND 35 (1941)]
III-1-4
|
| 19046 |
geduld |
patience (fr.):
geduld weinig gebruikt
het toch ewa patiense (P117p Nieuwerkerken)
|
Heb toch wat geduld! [ZND 35 (1941)]
III-1-4
|
| 18916 |
gedwee |
gedwee:
ook materiaal znd 23, 69; znd 35, 49
gedwee (P117p Nieuwerkerken),
gewillig:
NB. Mar.: waarom gewillig (= bereidwillig =doet het gráág!) en gedwee gesplitst?: waarom dit bij gedwee??
ieə gewilleg keent (P117p Nieuwerkerken),
ook materiaal 23, 69; znd 35, 49
gewillig (P117p Nieuwerkerken)
|
Een gewillig (gedwee) kind. [ZND 35 (1941)] || gedwee [ZND 01 (1922)]
III-1-4
|
| 18098 |
geelzucht |
geel verf:
giəl verf (P117p Nieuwerkerken)
|
de geelzucht (ziekte waarbij de huid en ook het wit van de ogen geel wordt) [ZND 35 (1941)]
III-1-2
|
| 21586 |
geen ... waard |
geen sol waard:
ginne sol weid (P117p Nieuwerkerken)
|
Hoe zegt men van iets dat geen waarde heeft? (dat is geen ... waard). [ZND 28 (1938)]
III-3-1
|
| 29054 |
geer |
geer:
gīr (P117p Nieuwerkerken)
|
Een naar boven spits uitlopende lap of strook waarmee men een kledingstuk van onderen verwijdt. [N 62, 11a; L 1a-m; L 23, 71; Gi 1.IV, 17; S 10; monogr.]
II-7
|
| 32746 |
geerakker |
korthoek:
kǫthuk (P117p Nieuwerkerken),
kortvoren:
kǫt˲vő̜u̯rǝ (P117p Nieuwerkerken)
|
Onder een geerakker wordt hier verstaan dat deel van een akker dat gerend geploegd moet worden als de akker niet de vorm van een rechthoek of een parallellogram heeft. De benaming voor dit onderdeel is niet zelden ook op de gerende akker in zijn geheel toepasselijk. Opgaven die duidelijk de (geometrische) vorm of een scherpe hoek van een akker bleken te betreffen, zijn in dit lemma echter niet opgenomen. Zie verder ook het volgende lemma. [N 11, 4b + 64; N 11A, 127 + 137f + 137g; N P, 1; A 33, 9 add.; A 33, 10; JG 1a + 1b; JG 2b-4, 7; monogr.]
I-1
|