e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Nieuwerkerken

Overzicht

Gevonden: 1691
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
heukelingen spreiden breken: [breken] (Nieuwerkerken) Het uiteengooien van de kleinste soort hoopjes, zodat ze verder kunnen drogen. Het voorwerp van de overgankelijke werkwoorden is steeds: heukelingen. ø...ŋ wijst op identieke antwoorden als in het lemma ''zwaden spreiden''.' [N 14, 105; JG 1a, 1b; A 34, 1; monogr.] I-3
heuvel heuvel: hø̄vǝl (Nieuwerkerken) Een kleine verhevenheid in het landschap. [L 34, 22] I-8
heuvel, kleine hoogte heuvel: innen heuvel (Nieuwerkerken) heuvel [ZND 34 (1940)] III-4-4
hiel vers: vas (Nieuwerkerken) hoe heet het achterdeel van de voet (fr. talon) [ZND 29 (1938)] III-1-1
hijgen kuimen: kø̜̄mǝ (Nieuwerkerken) [JG 1a, 1b] I-11
hinkelen perkspringen: /  park sprengen (Nieuwerkerken) hinkelen [SND (2006)] III-3-2
hinniken ruchelen: rø̜xǝlǝ (Nieuwerkerken) Het hoge keelgeluid dat een paard maakt. De klanknabootsende werkwoorden hummeren, himmeren en hommeren vertonen dezelfde klankwisseling als ruchelen, richelen en rochelen. [JG 1b, 2c; L B2, 291; L 22, 21; N 8, 47 en 65; S 5; Wi 57] I-9
hobbelpaard schokkepaard: /  schokkepeid (Nieuwerkerken) hobbelpaard [SND (2006)] III-3-2
hoed (alg.) hoed: huut (Nieuwerkerken) hoed [RND] III-1-3
hoeden van koeien hoeden: hyǝ (Nieuwerkerken) [N 3A, 12a; N M, 2; JG 1a, 1b; A 48, 18c; L 1a-m; L 27, 5; S 14; Wi 39; R; monogr.] I-11