| 32924 |
heukelingen spreiden |
breken:
[breken] (P117p Nieuwerkerken)
|
Het uiteengooien van de kleinste soort hoopjes, zodat ze verder kunnen drogen. Het voorwerp van de overgankelijke werkwoorden is steeds: heukelingen. ø...ŋ wijst op identieke antwoorden als in het lemma ''zwaden spreiden''.' [N 14, 105; JG 1a, 1b; A 34, 1; monogr.]
I-3
|
| 33704 |
heuvel |
heuvel:
hø̄vǝl (P117p Nieuwerkerken)
|
Een kleine verhevenheid in het landschap. [L 34, 22]
I-8
|
| 24912 |
heuvel, kleine hoogte |
heuvel:
innen heuvel (P117p Nieuwerkerken)
|
heuvel [ZND 34 (1940)]
III-4-4
|
| 17776 |
hiel |
vers:
vas (P117p Nieuwerkerken)
|
hoe heet het achterdeel van de voet (fr. talon) [ZND 29 (1938)]
III-1-1
|
| 18012 |
hijgen |
kuimen:
kø̜̄mǝ (P117p Nieuwerkerken)
|
[JG 1a, 1b]
I-11
|
| 22774 |
hinkelen |
perkspringen:
/
park sprengen (P117p Nieuwerkerken)
|
hinkelen [SND (2006)]
III-3-2
|
| 33839 |
hinniken |
ruchelen:
rø̜xǝlǝ (P117p Nieuwerkerken)
|
Het hoge keelgeluid dat een paard maakt. De klanknabootsende werkwoorden hummeren, himmeren en hommeren vertonen dezelfde klankwisseling als ruchelen, richelen en rochelen. [JG 1b, 2c; L B2, 291; L 22, 21; N 8, 47 en 65; S 5; Wi 57]
I-9
|
| 22838 |
hobbelpaard |
schokkepaard:
/
schokkepeid (P117p Nieuwerkerken)
|
hobbelpaard [SND (2006)]
III-3-2
|
| 18191 |
hoed (alg.) |
hoed:
huut (P117p Nieuwerkerken)
|
hoed [RND]
III-1-3
|
| 34212 |
hoeden van koeien |
hoeden:
hyǝ (P117p Nieuwerkerken)
|
[N 3A, 12a; N M, 2; JG 1a, 1b; A 48, 18c; L 1a-m; L 27, 5; S 14; Wi 39; R; monogr.]
I-11
|