| 28632 |
het vlieggat dichtstoppen |
pinnen:
penǝ (Q197p Noorbeek)
|
Wanneer men met de kasten of korven reist, stopt men het vlieggat dicht. Bij een kast gebeurt dit afsluiten met een schuif, bij een korf met hooi, gras of gaas. Korven en kasten worden met de onderkant boven en de raten in het verlengde van de as richting voertuig geplaatst (L 265, 289 en 333) en stevig met elkaar verbonden. [N 63, 104d; N 63, 105; monogr.]
II-6
|
| 25557 |
het voorrijzen in de trog |
gaan:
gǭǝ (Q197p Noorbeek)
|
Volgens de informant van P 56 worden de grondstoffen in de trog of de machine gebracht. Eerst de bloem (± 50 kg). De gist (± 1 kg) wordt opgelost in water. Dit mengsel wordt op de bloem gegoten, waarin eerst een soort trechter is gemaakt. Dit alles laat de bakker ongeveer 15 minuten staan. Dit is dan wel het voorrijzen in de trog. [N 29, 24b; N 29, 24a]
II-1
|
| 19415 |
het vuur doven |
blussen:
blussen (Q197p Noorbeek),
blösse (Q197p Noorbeek),
uitmaken:
ōētmake (Q197p Noorbeek)
|
Het branden doen eindigen (blussen, doven) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 20678 |
hete bliksem |
hutspot:
hutspot (Q197p Noorbeek)
|
puree [stamp, stoemp] [N 38 (1971)]
III-2-3
|
| 20404 |
heten |
heten:
heische (Q197p Noorbeek)
|
heten [DC 37 (1964)]
III-2-2
|
| 32923 |
heukeling |
hoopje:
hø̜pkǝ (Q197p Noorbeek),
kasteeltje:
kastīlkǝ (Q197p Noorbeek)
|
Het kleinste hoopje halfdroog hooi dat men ''s avonds maakt door het opwerken van de rijen, om ze ''s anderendaags weer uiteen te gooien. De kaarten 40, 42 en 44, respectievelijk "heukeling", "hoop" en "opper" hebben alle drie dezelfde opbouw, die weer in verband staat met de opbouw van de kaarten 39, 41 en 43: "op heukelingen zetten", "op hopen zetten" en "op oppers zetten". Voor deze zes kaarten zijn ook dezelfde symbolen voor gelijke opgaven gebruikt. [N 14, 104 en 103 add.; JG 1a, 1b, 2c; A 16, 3a; A 42, 20a, L 36, 1; L 38, 38a; monogr.]
I-3
|
| 32924 |
heukelingen spreiden |
omdoen:
ø̜mdoǝ (Q197p Noorbeek),
uiteenbreien:
utɛ̄nbryi̯ǝ (Q197p Noorbeek),
uitspreiden:
uitspreiden (Q197p Noorbeek)
|
Het uiteengooien van de kleinste soort hoopjes, zodat ze verder kunnen drogen. Het voorwerp van de overgankelijke werkwoorden is steeds: heukelingen. ø...ŋ wijst op identieke antwoorden als in het lemma ''zwaden spreiden''.' [N 14, 105; JG 1a, 1b; A 34, 1; monogr.]
I-3
|
| 17645 |
heup |
heup:
hēūp (Q197p Noorbeek)
|
heup - welk gedeelte van het lichaam wordt er mee bedoeld? [DC 01 (1931)]
III-1-1
|
| 18087 |
heupjicht |
jicht:
jich (Q197p Noorbeek)
|
Ischias: ontsteking van de heupzenuw, heupjicht (geschot, steek(te), pleurijs). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 28938 |
heupwijdte, zitwijdte |
heupwijdte:
hø̜pwi-jtǝ (Q197p Noorbeek),
onderwijdte:
ōndǝrwi-jtǝ (Q197p Noorbeek)
|
Maat gemeten om het dikste deel van het zitvlak, met voor heren twee vingers speling tussen de maatband en het lichaam. [N 59, 44d; N 59, 44c; N 62, 2b]
II-7
|