| 20131 |
een hond vleien |
aanhalen:
anhale (L216p Oirlo)
|
Hoe noemt u een hond vleien (fluren, flemen) [N 83 (1981)]
III-2-1
|
| 19855 |
een huis huren |
huren:
hy(3)̄rə (L216p Oirlo),
pachten:
pāxtə (L216p Oirlo)
|
huren [SGV (1914)]
III-2-1
|
| 20508 |
een kater hebben |
een kater hebben:
enne kater hebbe (L216p Oirlo)
|
kater hebben; Hoe noemt U: Zich niet lekker voelen de dag na een flinke drinkpartij (een kater hebben) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 20175 |
een kind op de arm dragen |
op de arm nemen:
op de aerm neme (L216p Oirlo),
op de arm pakken:
op de aerm pakke (L216p Oirlo)
|
een kind op de arm dragen [peizen] [N 87 (1981)]
III-2-2
|
| 23755 |
een kruisje geven |
een kruisje geven:
en kruuske gaeve (L216p Oirlo)
|
Een kind voor het slapen gaan met de duim een kruisje geven op het voorhoofd. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23707 |
een kruisje op het brood maken |
bekruisen:
bekruse (L216p Oirlo)
|
Het gebruik om een brood met het mes te bekruisen, voordat men het aansnijdt; men maakte met het broodmes een kruisje aan de onderkant van het brood [n kruuske ónder de mik maake?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23706 |
een kruisteken maken |
n kruus maake:
en kruus make (L216p Oirlo),
en kruus slaon (L216p Oirlo)
|
Een kruisteken maken/slaan, zich bekruisen, zich zegenen [zich bekruuse [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 17887 |
een kuil graven |
dabben:
dabbe (mit de hând) (L216p Oirlo),
een kuil maken:
en koel make (L216p Oirlo)
|
kuil, Een ~ maken (dappen). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 19216 |
een lelijk gezicht trekken |
een gekke snuit:
en gekke snuut (L216p Oirlo)
|
grijnzen, een lelijk gezicht trekken [greeze, nen toot zette, snuit trekke, grimas maken] [N 10 (1961)]
III-1-4
|
| 20178 |
een miskraam krijgen |
afkomen:
áfkòmme (L216p Oirlo),
de kar is opgeslagen:
daor is de kár òpgeslage (L216p Oirlo),
opslaan:
daur is de kar opgeslage
òpslaon (L216p Oirlo)
|
het plaats vinden van een miskraam || miskraam (krijgen || miskraam hebben
III-2-2
|