34114 |
speen van de koe |
deem:
dēm (L216p Oirlo)
|
[N C, 12; JG 1a, 1b; A 30, 6a; L 8, 24b; L 14, 27b; L 49, 6a; monogr.]
I-11
|
24747 |
speenkruid |
speenkruid:
speenkruŭd (L216p Oirlo)
|
Speenkruid (ficaria verna 5 tot 25 cm hoog. De stengels zijn liggend of opstijgend; de bladeren zijn hart- of niervormig, ze zijn glanzend en lang gesteeld, met knolletjes in de onderste bladdeksels. De bloemen zijn talrijk, met vrij smalle kroonbladere [N 92 (1982)]
III-4-3
|
20630 |
spek |
spek:
spek (L216p Oirlo)
|
spek [garstig~] [SGV (1914)]
III-2-3
|
20702 |
spekpannenkoek |
knik:
knik (L216p Oirlo),
spekkoek:
spekkoēk (L216p Oirlo),
Syst. WBD
spekkōēk (L216p Oirlo)
|
spekpannekoek || Spekpannekoek (spekbraoj?) [N 16 (1962)] || spekpannekoek, geknoopt in een handdoek of knapzak
III-2-3
|
22841 |
spel (alg.) |
spel:
speul (L216p Oirlo)
|
spel [SGV (1914)]
III-3-2
|
18390 |
speld |
spelde:
spɛl (L216p Oirlo)
|
Puntig, van een kop voorzien metalen stiftje om iets in weefsel vast te steken of te bevestigen op of aan iets anders. [N 62, 50a; L 7, 20; L 14, 24; L B1, 73; R 14, 8a; MW; Wi 7; S 34; monogr.]
II-7
|
28970 |
spelden |
spelden:
spɛlǝ (L216p Oirlo)
|
Met spelden stukken kleding of panden aan elkaar vastspelden. [N 59, 74; L 7, 20; S 34]
II-7
|
22383 |
spelen (alg.) |
spelen:
speulen (L216p Oirlo)
|
spelen [SGV (1914)]
III-3-2
|
22467 |
speler die twee beurten heeft |
dam:
dam (L216p Oirlo)
|
Een speler die twee beurten heeft om het aantal gelijk temaken in bepaalde spelen [dam, dame]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
22327 |
spelletje |
potje:
pøͅtjə (L216p Oirlo)
|
Het spelen van een spel door twee of meer personen [partijtje, potje, spelletje]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|