| 20950 |
klokhuis |
appelenkroos:
apələkruəs (L216a Oostrum),
áppel(e)kroeës (L216a Oostrum),
appelkroos:
apəlkruəs (L216a Oostrum),
kroos:
kroeës (L216a Oostrum)
|
klokhuis
I-7, III-2-3
|
| 24651 |
klokje (alg.) |
weiklokje:
campanula patula
wejklökske (L216a Oostrum)
|
weideklokje
III-4-3
|
| 18230 |
klomp |
klomp:
klōmp (L216a Oostrum)
|
In het algemeen de benaming voor schoeisel dat is vervaardigd uit een uitgehold stuk hout. Er bestaan verschillende soorten klompen. Zie ook de lemmata ɛhoge klompɛ, ɛlage klompɛ etc.' [N 24, 70a; N 86, 46; A 15, 31b; L 36, 38; monogr.]
II-12
|
| 32352 |
klompenmaker |
klompenmaker:
klōmpǝmē̜kǝr (L216a Oostrum)
|
De persoon die het ambacht van klompenmaker uitoefent. [N 97, 1; monogr.]
II-12
|
| 32448 |
klompriem |
klompenbandje:
klōmpǝbē̜ntjǝ (L216a Oostrum),
tuigleer:
tȳxlē̜r (L216a Oostrum)
|
Leren band die over de klompopening van de lage en halfhoge klomp wordt bevestigd om te zorgen dat men de klomp tijdens het lopen niet verliest. De klompriem werd doorgaans niet door de klompenmaker, maar door de handelaar of door de klant zelf aangebracht. Een leren band op de klomp spijkeren noemde men in Sint-Truiden (P 176): een klonk beslaan (ǝnǝ kluŋk˱ bǝslōn). [N 60, 214c; N 97, 143; monogr.]
II-12
|
| 32449 |
klompspijkertje |
klompennagel:
klōmpǝnāgǝl (L216a Oostrum)
|
Kort spijkertje met brede, platte kop waarmee de klompenriem aan de klomp wordt vastgemaakt. [N 97, 144; monogr.]
II-12
|
| 20531 |
klonteren |
klonteren:
kloontere (L216a Oostrum)
|
klonteren
III-2-3
|
| 31204 |
klopboor, muurboor |
muurboor:
mȳrbōr (L216a Oostrum),
steenboor:
stiǝnbōr (L216a Oostrum)
|
Stalen boorijzer dat dient voor het boren van gaten in steen. De klopboor wordt tijdens het slaan met de hamer steeds een weinig gedraaid. Voor zachtere steen is deze boor hol; op deze wijze kan het boormeel worden opgenomen. De woordtypen houwpijp (Q 108), slagpijp (L 299) en pijp (Q 111) verwijzen waarschijnlijk naar dit type boor. Voor harde steensoorten wordt een massieve stang gebruikt die voorzien is van een speciaal bewerkt uiteinde. Volgens Zwiers II (pag. 404) wordt de gewone ɛklopboorɛ ook gebruikt voor het boren van gaten in baksteenmuren; hij wordt dan gewoonlijk ɛmuurboorɛ genoemd.' [N 33, 137; N 33, 164]
II-11
|
| 19405 |
klopper, garde |
kloprijsje:
klopriēske (L216a Oostrum),
rijsje:
Van dunne geschilde berketakjes maakte men vroeger een bundeltje en dit gebruikte men dan als garde
riēske (L216a Oostrum)
|
soort garde || voorloper van de moderne garde, klopper
III-2-1
|
| 20900 |
kluiven |
afkluiven:
De böt áfkluuëve
áfkluuëve (L216a Oostrum)
|
afkluiven
III-2-3
|