e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Opglabbeek

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
koude noordenwind, bijs bijs: biz (Opglabbeek), de onderste wind is koud: de onderste wind is koud  dən onərstə went es kàwt (Opglabbeek), snijgat: (= Noord-westenwind)  ⁄t snīegāt (Opglabbeek) koude noorderwind [bies] [N 22 (1963)] || soorten winden [ZND 13 (1925)] III-4-4
koudvuur koudvuur: kaud veer (Opglabbeek) Koudvuur: versterf van weefsel of lichaamsdelen door afsluiting van de bloedtoevoer; gangreen (vuur). [N 107 (2001)] III-1-2
kous met knoopjes get: jeͅtə (Opglabbeek) kousen met knoopjes die over de gewone kousen worden gedragen [slopkouse, sjlopehaoze, sjloebe] [N 24 (1964)] III-1-3
kous: algemeen hoos: hu(i)ze (Opglabbeek), kous: køͅis (Opglabbeek), lange kous: laŋ koe.is (Opglabbeek), n kousen]: hyəzə (Opglabbeek) kous (bedekt de voet en het been tot vlak onder of tot boven de knie) [ZND 16 (1934)] || Kous, een paar kousen. Bedoeld wordt het kledingsstuk dat gebreid of geweven wordt en de voet en het gehele been tot boven de knie bedekt (fr. bas) [ZND 48 (1954)] || kous, kousen (mv.) [ZND A1 (1940sq)] || kous, lange beenbekleding [haos, hous, sjtrump [N 24 (1964)] III-1-3
kousenband bindel: beͅnəl (Opglabbeek), hozenbindel: hy(3)̄ezəbennəl (Opglabbeek) kousenband [ZND 01u (1924)] || kousenband om het bovenbeen [bendel, binjel haozebendel, ongerbinjel, kousenbendel] [N 24 (1964)] III-1-3
kousenwol wollen garen: wo͂ͅlle garə (Opglabbeek), wòlle gare (Opglabbeek) hoe heet het wollen garen waarmee kousen worden gebreid ? [ZND 42 (1943)] || Wollen garen voor het breien van kousen (saai, sajet) [N 79 (1979)] III-1-3
kouter kouter: kő̜u̯.tǝr (Opglabbeek), kǫu̯.tǝr (Opglabbeek), kouteren: kő̜u̯.tǝrǝ (Opglabbeek), kǫu̯.tǝrǝ (Opglabbeek) Het lange smalle mes dat (achter de voorschaar) aan de ploegboom is bevestigd en dat bij het ploegen de voor vertikaal afsnijdt. [N 11, 31.I.c; N 11A, 85b; JG 1a + 1b; A 26, 4a; L 1 a-m; L 28, 40; Lu 4, 4a; S 19; monogr.] I-1
kraag col (fr.): col (Opglabbeek), kraag: kraag (Opglabbeek, ... ), kRaag (Opglabbeek), krāx (Opglabbeek), krāx (Opglabbeek) Deel van een kledingstuk. De omgevouwen of opstaande rand langs de halsopening van een jas, japon, overhemd enz. [N 62, 31c; MW; monogr.] || Hoe noemt U: de kraag [N 62 (1973)] || kraag [ZND 28 (1938)] II-7, III-1-3
kraag van een kraagmantel pelerine (<fr.): pələrīn (Opglabbeek) kraag, zeer brede ~ van een kraagmantel (vero) [pellerien] [N 23 (1964)] III-1-3
kraagmantel pelerine (<fr.): pellerine (Opglabbeek) een ouderwetse kraagmantel (pellerine?) [N 59 (1973)] III-1-3