| 25109 |
koude noordenwind, bijs |
bijs:
biz (L416p Opglabbeek),
de onderste wind is koud:
de onderste wind is koud
dən onərstə went es kàwt (L416p Opglabbeek),
snijgat:
(= Noord-westenwind)
⁄t snīegāt (L416p Opglabbeek)
|
koude noorderwind [bies] [N 22 (1963)] || soorten winden [ZND 13 (1925)]
III-4-4
|
| 18124 |
koudvuur |
koudvuur:
kaud veer (L416p Opglabbeek)
|
Koudvuur: versterf van weefsel of lichaamsdelen door afsluiting van de bloedtoevoer; gangreen (vuur). [N 107 (2001)]
III-1-2
|
| 18339 |
kous met knoopjes |
get:
jeͅtə (L416p Opglabbeek)
|
kousen met knoopjes die over de gewone kousen worden gedragen [slopkouse, sjlopehaoze, sjloebe] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18195 |
kous: algemeen |
hoos:
hu(i)ze (L416p Opglabbeek),
kous:
køͅis (L416p Opglabbeek),
lange kous:
laŋ koe.is (L416p Opglabbeek),
n kousen]:
hyəzə (L416p Opglabbeek)
|
kous (bedekt de voet en het been tot vlak onder of tot boven de knie) [ZND 16 (1934)] || Kous, een paar kousen. Bedoeld wordt het kledingsstuk dat gebreid of geweven wordt en de voet en het gehele been tot boven de knie bedekt (fr. bas) [ZND 48 (1954)] || kous, kousen (mv.) [ZND A1 (1940sq)] || kous, lange beenbekleding [haos, hous, sjtrump [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18179 |
kousenband |
bindel:
beͅnəl (L416p Opglabbeek),
hozenbindel:
hy(3)̄ezəbennəl (L416p Opglabbeek)
|
kousenband [ZND 01u (1924)] || kousenband om het bovenbeen [bendel, binjel haozebendel, ongerbinjel, kousenbendel] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18794 |
kousenwol |
wollen garen:
wo͂ͅlle garə (L416p Opglabbeek),
wòlle gare (L416p Opglabbeek)
|
hoe heet het wollen garen waarmee kousen worden gebreid ? [ZND 42 (1943)] || Wollen garen voor het breien van kousen (saai, sajet) [N 79 (1979)]
III-1-3
|
| 19621 |
kouter |
kouter:
kő̜u̯.tǝr (L416p Opglabbeek),
kǫu̯.tǝr (L416p Opglabbeek),
kouteren:
kő̜u̯.tǝrǝ (L416p Opglabbeek),
kǫu̯.tǝrǝ (L416p Opglabbeek)
|
Het lange smalle mes dat (achter de voorschaar) aan de ploegboom is bevestigd en dat bij het ploegen de voor vertikaal afsnijdt. [N 11, 31.I.c; N 11A, 85b; JG 1a + 1b; A 26, 4a; L 1 a-m; L 28, 40; Lu 4, 4a; S 19; monogr.]
I-1
|
| 18205 |
kraag |
col (fr.):
col (L416p Opglabbeek),
kraag:
kraag (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek),
kRaag (L416p Opglabbeek),
krāx (L416p Opglabbeek),
krāx (L416p Opglabbeek)
|
Deel van een kledingstuk. De omgevouwen of opstaande rand langs de halsopening van een jas, japon, overhemd enz. [N 62, 31c; MW; monogr.] || Hoe noemt U: de kraag [N 62 (1973)] || kraag [ZND 28 (1938)]
II-7, III-1-3
|
| 18678 |
kraag van een kraagmantel |
pelerine (<fr.):
pələrīn (L416p Opglabbeek)
|
kraag, zeer brede ~ van een kraagmantel (vero) [pellerien] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 18271 |
kraagmantel |
pelerine (<fr.):
pellerine (L416p Opglabbeek)
|
een ouderwetse kraagmantel (pellerine?) [N 59 (1973)]
III-1-3
|