| 18552 |
lange smalle broekzak |
meterzak:
meterzak (L416p Opglabbeek)
|
lange smalle zak op broekspijp (voor mes, duimstok etc.) [N 59 (1973)]
III-1-3
|
| 24418 |
langpootmug |
hooiwagen:
huujwage (L416p Opglabbeek)
|
langpootmug
III-4-2
|
| 34571 |
langwagen |
houtwagen:
hø̜̄i̯twāgǝ (L416p Opglabbeek)
|
Vierwielige wagen, waarvan het voorste en het achterste asstel met elkaar verbonden zijn door een lange zware balk, de zogenaamde "langboom". De bak rust op drie ronblokken (zie dat lemma). Het achterstel bestaat uit een as, een asblok (zie dat lemma) en een rongblok. De langboom zit met een pin vast in het rongblok. Asblok en rongblok zijn op elkaar bevestigd. De twee achterste wagenarmen zorgen er samen met de langboom voor dat het achterstel onbeweeglijk is. Het voorstel bestaat uit een asblok, een middenblok en een rongblok. De bak rust op de rongblokken; de langboom en de voorste wagenarmen steken door het middenblok. Dwars door de drie blokken steekt een draaipin, waardoor het rongblok kan draaien boven de andere blokken. De dissel (zie dat lemma) zit geklemd tussen de voorste wagenarmen. De langwagen komt voornamelijk in Haspengouw, meer bepaald Droog-Haspengouw, voor. [N 17, 43c; N G, 51 + 70a; JG 1b + 1d]
I-13
|
| 20751 |
langwerpig wittebrood |
lange mik:
laŋ mek (L416p Opglabbeek)
|
Langwerpig wittebrood (peel?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 33323 |
langwerpige hoeve |
lang geleg:
lāŋk [geleg] (L416p Opglabbeek),
langhuis:
laŋkhūs (L416p Opglabbeek)
|
Het boerderijtype waarbij het bouwwerk één geheel vormt; woonhuis, stallen en schuur zijn achter elkaar geplaatst onder één langwerpig dak. Navraag naar verschil in boerderijbenaming, wanneer de grote deeldeuren in de korte of achtergevel dan wel in de lange zijgevel zijn geplaatst, leverde slechts in drie plaatsen een positief antwoord op. Zie onder de typen gevelhuis en schuurhuis. Waar de opgave identiek is met de naam voor de boerderij in het algemeen (zie het lemma "boerderij, algemeen" (1.1.1), ook voor de fonetische documentatie van deze opgaven), is doorgaans aangegeven dat dit het enig voorkomende type is en derhalve geen specifieke naam heeft. De betreffende opgaven zijn wel bij de lemmata 1.2.1 - 1.2.6 opgenomen en staan telkens vooraan in het lemma. Bij het type langhuis is niet goed uit te maken of het om een woordgroep dan wel om een samenstelling gaat. Slechts een enkele keer is het woordaccent aangegeven; dan staat het op de eerste lettergreep. Zie kaart 4, het Ten Geleide van deze aflevering en afbeelding 2. [N 4A, 1a en 2a]
I-6
|
| 33774 |
langwerpige streep van voorhoofd tot neus |
streep:
strī.p (L416p Opglabbeek)
|
Lange, witte streep over de paardekop tot halverwege de neus, naar de vorm in verschillende soorten onderscheiden: ''halve'' en ''doorlopende bles'', ''smalle'' en ''brede bles'', en als ze de hele snuit wit kleur: witte muil, snuit. Zie ook het vorige lemma met ''bles'' in de betekenis van een naar voren hangend haarbosje. Zie afbeelding 4. [JG 1a, 1b; N 8, 27b]
I-9
|
| 34017 |
langzamer |
stilletjes:
stelǝkǝs (L416p Opglabbeek)
|
Voermansroep om het paard langzamer te doen gaan. [N 8, 95h en 96]
I-10
|
| 19599 |
lantaarn |
lantaarn:
lantēr (L416p Opglabbeek),
Ein grute lantèèr möt ein hiêl klein leechtsje: iemand die veel praats heeft maar weinig te vertellen weet Zuu ein(e) moot men möt ein lanrèèr goan zeke: zulke bijzondere persoon vindt men niet elke dag
lantèèr (L416p Opglabbeek),
lantaring:
soms gebruikt
lantèring (L416p Opglabbeek)
|
lantaarn [ZND 01 (1922)]
III-2-1
|
| 18222 |
lap |
lap:
lap (L416p Opglabbeek),
lap stóf (L416p Opglabbeek),
làp (L416p Opglabbeek),
láp stŏĕf (L416p Opglabbeek)
|
Hoe noemt U: een lap stof [N 62 (1973)] || lap [ZND A1 (1940sq)] || sterke doek of stof [lap, vel, lel, del] [N 86 (1981)]
III-1-3
|
| 18346 |
lap op een schoen |
huif:
hyf (L416p Opglabbeek)
|
lap op een schoen, stukje leer waarmee het bovenleer wordt gerepareerd [N 24 (1964)]
III-1-3
|