e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Opglabbeek

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
laurierboompje lauwelier: lauweleer (Opglabbeek) laurier III-2-1
lauw weer fijn: fīēn (Opglabbeek), laf (weer): làf (Opglabbeek), moe (weer): meeg wèèr (Opglabbeek) loommakend, gezegd van het weer [lui] [N 81 (1980)] || warm noch koud, gezegd van het weer [lauw, voos] [N 81 (1980)] III-4-4
lawaai, herrie laweit: ləwy(3)̄t (Opglabbeek) een dooreenmengeling van sterke geluiden [leven, herrie, geweld, lawaai, spektakel, rumoer] [N 91 (1982)] III-4-4
lederen pantoffel slof: slufə (Opglabbeek) pantoffels, lederen ~, gemakkelijke huisschoenen zonder veters [petoffels, pantoefels, trumpe, sjlutsje, sloffe, sjloebe] [N 24 (1964)] III-1-3
ledikant bed: bèt (Opglabbeek), ijzeren bedje: (met wieltjes)  i-jzere bédje (Opglabbeek), ledikant: (sjiek, versierd bed )  ledikant (Opglabbeek) Verplaatsbaar bed (i.p.v. een bedstee) (bed, krib, ledikant) [N 79 (1979)] III-2-1
leeftijd, ouderdom ouderdom: auwərdóm (Opglabbeek), awərdóm (Opglabbeek) ouderdom; op zijn ouderdom [ZND 40 (1942)] III-2-2
leeg, niets bevattend af: aaf (Opglabbeek), leeg: léég (Opglabbeek), op: óp (Opglabbeek), verlaten (ruimte): vərlò͂tə (Opglabbeek) leeg || niets bevattende, gezegd van bijv. een fles, een kan, een kopje, een vertrek etc. [leeg, ijdel, ijl] [N 91 (1982)] || waar niemand aanwezig is, leeg [wepel, verlaten] [N 91 (1982)] III-4-4
leeglopen loslopen: lǫslø̜j.pǝ (Opglabbeek) Het over elkaar gaan van de molenstenen zonder graan. De stenen kunnen dan sneller gaan draaien waardoor het gevaar ontstaat dat de molen heet loopt. [N O, 34o; Vds 116; Jan 260; Coe 142; Grof 167; N O, 36e] II-3
leegloper hoddelaar: hoedelaere (Opglabbeek), malenvuller: malevöller (Opglabbeek), martelaar: ironisch Ich hiêr het al, dich bös einen echte martelèèr  martelèèr (Opglabbeek) iemand, die bv. ten onrechte verklaart ziek te zijn || leegloper || zakkenvuller, profiteur III-1-4
leemspecie leem: lɛjm (Opglabbeek), mortel: mǫrtǝl (Opglabbeek) Het mengsel van leem, koemest, strohaksel en in een aantal plaatsen ook varkens-, paarde-, of mensenhaar, waarmee het vlechtwerk wordt dichtgepleisterd. Zie voor het woorddeel 'kleen-' in het woordtype 'kleenleem' (Q 18) ook het lemma 'Bepleisteren'. [N 4A, 53c; N 31, 45c; div.] II-9