| 29942 |
metselkoord |
metskoord:
mɛtskǭǝrt (L416p Opglabbeek)
|
Het koord dat men spant om daarlangs te metselen. Aan beide uiteinden kunnen twee priemen bevestigd zijn waarmee het koord in de voegen van het metselwerk wordt vastgezet. Zie ook het lemma 'priemen'. Het woordtype snoergerust (Q 121) was een benaming voor het metselkoord met toebehoren. Zie ook afb. 4. [N 30, 14a; monogr.]
II-9
|
| 29996 |
metselzand |
kiezel:
kizǝl (L416p Opglabbeek),
papzand:
papzand (L416p Opglabbeek),
pap˲zant (L416p Opglabbeek),
scherpe zand:
šɛrpǝ zant (L416p Opglabbeek),
zavel:
zāvǝl (L416p Opglabbeek)
|
Het zand dat bij de bereiding van mortel aan het bindmiddel, bijvoorbeeld kalk of cement, wordt toegevoegd. Doorgaans wordt gebruik gemaakt van rivierzand omdat dit scherp, schoon en ongelijk van korrelgrootte is. In Q 4 werd het zand doorgaans genoemd naar de plaats van herkomst. Ook de woordtypen 'brunssummmer zand' (Q 203), 'helchterse zand' (P 51), 'helchterse' (K 359) en 'lommelzand' (K 353, K 359, P 56) verwijzen naar plaatsen waar zand wordt of werd afgegraven. Zie voor het woordtype 'chape-zand' (L 364) het lemma 'Vloermortel'. [N 30, 36a; N 30, 36b; N 27, 47; L 42, 57; monogr.]
II-9
|
| 20513 |
metworst |
braadworst:
broadworst (L416p Opglabbeek),
bròdwòrst (L416p Opglabbeek),
ne pi-jl braodwòrst (L416p Opglabbeek),
saucijs:
saacisse (L416p Opglabbeek),
als broodbeleg
sesĭĕs (L416p Opglabbeek)
|
metworst; Hoe noemt U: Worst met gehakt (varkens)vlees (metworst, snijworst, saucisse) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 19757 |
meubelstuk, meubel |
meubel:
Hun hiêl miêbel stòngen op stroat
miêbel (L416p Opglabbeek)
|
meubel
III-2-1
|
| 21585 |
mevrouw |
madam (<fr.):
Pier gèf Medam ins e schuun hendje (L416p Opglabbeek),
Pier, gēͅf Madam ins ei schuun hendje (L416p Opglabbeek)
|
Piet (Arie), geef madame nu eens een schoon handje [ZND 44 (1946)]
III-3-1
|
| 24901 |
middag (s middags) |
noen:
nóón (L416p Opglabbeek)
|
middag [RND]
III-4-4
|
| 17838 |
middagdutje |
ungeren (zn.):
īnnərə (L416p Opglabbeek)
|
Slaapje na het middagmaal; middagdutje (noenslaap, middagslaap, dutje, loertje, dutten). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 17839 |
middagdutje doen |
knotsen:
knōētsə (L416p Opglabbeek),
ungeren slapen:
eͅnərə sla͂pə (L416p Opglabbeek),
innere slaope (L416p Opglabbeek)
|
Hoe noemt ge het wanneer iemand s middags wat gaat slapen ? [ZND 31 (1939)] || middagdutje doen (dutten). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 20573 |
middagmaal |
middag, de -:
middig (L416p Opglabbeek),
De middig waas nog neet vèrig
middig (L416p Opglabbeek),
middageten:
midəxɛtə (L416p Opglabbeek),
noen, de -:
noen (L416p Opglabbeek),
nŏĕn (L416p Opglabbeek)
|
het middagmaal || maaltijden; Hoe noemt U: Namen voor de verschillende maaltijden, afhankelijk van de tijd van de dag, eventueel van het jaar [N 80 (1980)] || namen en uren van de dagelijkse maaltijden: 12 uur [ZND 18G (1935)]
III-2-3
|
| 34598 |
middelste rongblok |
aspulm:
aspęlǝm (L416p Opglabbeek),
pulm:
p˙ęlǝm (L416p Opglabbeek)
|
Middelste van de drie rongblokken van een hoogkar of een wagen. De woordtypen pulm, pulf, pulver, pulp en pul staan voor een specifiek rongblok, dat ter versteviging diende en geen rongen had. In het materiaal kwamen vaak benamingen voor die ook bij het meer algemene "rongblok" gegeven waren. Vanwege hun algemene karakter zijn die hier niet meer opgenomen. [N 17, 13b + 44h; JG 1b; JG 1c; JG 1d; JG 2b]
I-13
|