e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Opglabbeek

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
modder, slijk drek: drèk (Opglabbeek, ... ), drets: drètsj (Opglabbeek), modder: mòdder (Opglabbeek), mòddər (Opglabbeek), slijk tot op zekere diepte  modder (Opglabbeek), slijk: sli-jk (Opglabbeek), sliek (Opglabbeek, ... ) modder, mengsel van aarde, vuil, allerlei organische stoffen met water [plamei, debber, pladedder, moor, dedder, plamoes, moes, kwet, drabbik, dwal] [N 81 (1980)] || modder, slijk [ZND 39 (1942)] III-4-4
moe moeg: me.ch (Opglabbeek), meg (Opglabbeek) moe [RND], [ZND A2 (1940sq)] III-1-2
moed courage (fr.): keraasj (Opglabbeek), Fr. courage neet te gelieve waat viêr keraasj det mins nog hèèt noa al dèèn tiêgeslaag  keraasj (Opglabbeek), moed: mōt (Opglabbeek), de mood zakde mich in mi-jn sjoon samenst. mismood, goodsmood  mood (Opglabbeek) moed [ZND A2 (1940sq)] III-1-4
moedeloos (zijn) mismoed: Noa alles waat er gebiêrd is, zuiw eine mins waal de mismood kri-jge Bn. mismodig  mismood (Opglabbeek), mismoedig: mismodig (Opglabbeek) ontmoediging, moedeloosheid III-1-4
moeder ma: maa (Opglabbeek), moe: verkorting van moder, of iets platter van mojer  mo (Opglabbeek), moeder: mooier (Opglabbeek), mōēder (Opglabbeek), mŏĕddər (Opglabbeek), móódər (Opglabbeek), móójər (Opglabbeek, ... ), mo en volkser mojer  moder (Opglabbeek) moeder [ZND 01 (1922)], [ZND 04 (1924)] || moeder; dat is zijn moeder [ZND 08 (1925)] III-2-2
moeder van smarten pita (<it.): pieeta (Opglabbeek) Een beeld van Maria die het dode lichaam van Jezus op de schoot draagt, piëta [moeder van smarten?]. [N 96A (1989)] III-3-3
moeder-overste overste: ievər stə (Opglabbeek) De moeder(overste) in een vrouwenklooster [mameer, moederover-ste, opperste, maer]. [N 96D (1989)] III-3-3
moederkoren moederkoren: mōi̯ǝrkø̜rǝ (Opglabbeek) De zwarte woekering die te voorschijn komt uit de aren van verschillende granen en grassoorten; vooral bekend bij rogge. De getroffen gewassen zijn zowel schadelijk voor mens en dier (vruchtafdrijvend), als tegelijkertijd geneeskrachtig (bloedstelpend en de baring opwekkend). Botanisch is de woekering een schimmel (Ustilago segetum Cord.) waardoor de plant al bij het kiemen geïnfecteerd wordt en die pas naar buiten komt als de gewassen vrucht beginnen te dragen. De ziekte was zeer gevreesd onder de landbouwers en er bestaan dan ook vele, vaak bijgelovige, gebruiken om het moederkoren tegen te gaan. Sommige zegslieden geven dan ook aanvullende opmerkingen die zowel op deze angst als op de waarde van het moederkoren wijzen. De benamingen met moeder- en moer- wijzen wel op de baringbevorderende werking van het moederkoren. In L 250 wordt opgemerkt: "Werd vroeger verzameld voor apotheken; thans in Zwitserland gekweekt."; in L 270: "Een zwak aftreksel van ''moorkore'' werd vroeger direct na de bevalling aan de moeder gegeven; dit i.v.m. tegengaan van bloedverlies; het werd in de koffiemolen gemalen." In Q 97: "Dit moorkore kwam vroeger vaak voor. Tot een bepaalde hoeveelheid was het toelaatbaar. Moorkore werd vroeger goed betaald. Deze plant had namelijk de eigenschap dat ze, in gemalen toestand, in staat was de vrucht te kunnen afdrijven. Reden waarvoor ze door apothekers werd gekocht. Als er teveel van dit spul in het dierenvoer zat, betekende dat voor de boeren vaak een strop. De beesten gingen dan "versjete", d.w.z. de kalveren werden te vroeg geboren en overleefden dit meestal niet." De benaming duivelskoren en duivelsteken alsook de vernoemingen met diernamen wijzen wel op het taboe dat op deze gevreesde ziekte rustte. De benaming hanespoor is wel een leenvertaling van het Fr. ''ergot''.' [A 43, 11; L 1 a-m; L 1 u, 163; L 15, 12; S 24; monogr.] I-4
moederloos lam uitstoteling: ūǝtstūtǝleŋ (Opglabbeek) Moederloos of door de moeder verstoten lam. [N 77, 25; L 20, 22d; A 4, 22d] I-12
moedervlek geboorteplek: gəbūūrtəplèk (Opglabbeek), moedervlek: mŏĕdərvlèk (Opglabbeek) Moedervlek: een aangeboren bruine vlek op de huid (moedermaal, peperkoor, pepervlek). [N 84 (1981)] III-1-1