| 24929 |
modder, slijk |
drek:
drèk (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek),
drets:
drètsj (L416p Opglabbeek),
modder:
mòdder (L416p Opglabbeek),
mòddər (L416p Opglabbeek),
slijk tot op zekere diepte
modder (L416p Opglabbeek),
slijk:
sli-jk (L416p Opglabbeek),
sliek (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek)
|
modder, mengsel van aarde, vuil, allerlei organische stoffen met water [plamei, debber, pladedder, moor, dedder, plamoes, moes, kwet, drabbik, dwal] [N 81 (1980)] || modder, slijk [ZND 39 (1942)]
III-4-4
|
| 17833 |
moe |
moeg:
me.ch (L416p Opglabbeek),
meg (L416p Opglabbeek)
|
moe [RND], [ZND A2 (1940sq)]
III-1-2
|
| 19198 |
moed |
courage (fr.):
keraasj (L416p Opglabbeek),
Fr. courage neet te gelieve waat viêr keraasj det mins nog hèèt noa al dèèn tiêgeslaag
keraasj (L416p Opglabbeek),
moed:
mōt (L416p Opglabbeek),
de mood zakde mich in mi-jn sjoon samenst. mismood, goodsmood
mood (L416p Opglabbeek)
|
moed [ZND A2 (1940sq)]
III-1-4
|
| 19058 |
moedeloos (zijn) |
mismoed:
Noa alles waat er gebiêrd is, zuiw eine mins waal de mismood kri-jge Bn. mismodig
mismood (L416p Opglabbeek),
mismoedig:
mismodig (L416p Opglabbeek)
|
ontmoediging, moedeloosheid
III-1-4
|
| 20331 |
moeder |
ma:
maa (L416p Opglabbeek),
moe:
verkorting van moder, of iets platter van mojer
mo (L416p Opglabbeek),
moeder:
mooier (L416p Opglabbeek),
mōēder (L416p Opglabbeek),
mŏĕddər (L416p Opglabbeek),
móódər (L416p Opglabbeek),
móójər (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek,
L416p Opglabbeek),
mo en volkser mojer
moder (L416p Opglabbeek)
|
moeder [ZND 01 (1922)], [ZND 04 (1924)] || moeder; dat is zijn moeder [ZND 08 (1925)]
III-2-2
|
| 23397 |
moeder van smarten |
pita (<it.):
pieeta (L416p Opglabbeek)
|
Een beeld van Maria die het dode lichaam van Jezus op de schoot draagt, piëta [moeder van smarten?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 24091 |
moeder-overste |
overste:
ievər stə (L416p Opglabbeek)
|
De moeder(overste) in een vrouwenklooster [mameer, moederover-ste, opperste, maer]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 33019 |
moederkoren |
moederkoren:
mōi̯ǝrkø̜rǝ (L416p Opglabbeek)
|
De zwarte woekering die te voorschijn komt uit de aren van verschillende granen en grassoorten; vooral bekend bij rogge. De getroffen gewassen zijn zowel schadelijk voor mens en dier (vruchtafdrijvend), als tegelijkertijd geneeskrachtig (bloedstelpend en de baring opwekkend). Botanisch is de woekering een schimmel (Ustilago segetum Cord.) waardoor de plant al bij het kiemen geïnfecteerd wordt en die pas naar buiten komt als de gewassen vrucht beginnen te dragen. De ziekte was zeer gevreesd onder de landbouwers en er bestaan dan ook vele, vaak bijgelovige, gebruiken om het moederkoren tegen te gaan. Sommige zegslieden geven dan ook aanvullende opmerkingen die zowel op deze angst als op de waarde van het moederkoren wijzen. De benamingen met moeder- en moer- wijzen wel op de baringbevorderende werking van het moederkoren. In L 250 wordt opgemerkt: "Werd vroeger verzameld voor apotheken; thans in Zwitserland gekweekt."; in L 270: "Een zwak aftreksel van ''moorkore'' werd vroeger direct na de bevalling aan de moeder gegeven; dit i.v.m. tegengaan van bloedverlies; het werd in de koffiemolen gemalen." In Q 97: "Dit moorkore kwam vroeger vaak voor. Tot een bepaalde hoeveelheid was het toelaatbaar. Moorkore werd vroeger goed betaald. Deze plant had namelijk de eigenschap dat ze, in gemalen toestand, in staat was de vrucht te kunnen afdrijven. Reden waarvoor ze door apothekers werd gekocht. Als er teveel van dit spul in het dierenvoer zat, betekende dat voor de boeren vaak een strop. De beesten gingen dan "versjete", d.w.z. de kalveren werden te vroeg geboren en overleefden dit meestal niet." De benaming duivelskoren en duivelsteken alsook de vernoemingen met diernamen wijzen wel op het taboe dat op deze gevreesde ziekte rustte. De benaming hanespoor is wel een leenvertaling van het Fr. ''ergot''.' [A 43, 11; L 1 a-m; L 1 u, 163; L 15, 12; S 24; monogr.]
I-4
|
| 34397 |
moederloos lam |
uitstoteling:
ūǝtstūtǝleŋ (L416p Opglabbeek)
|
Moederloos of door de moeder verstoten lam. [N 77, 25; L 20, 22d; A 4, 22d]
I-12
|
| 17567 |
moedervlek |
geboorteplek:
gəbūūrtəplèk (L416p Opglabbeek),
moedervlek:
mŏĕdərvlèk (L416p Opglabbeek)
|
Moedervlek: een aangeboren bruine vlek op de huid (moedermaal, peperkoor, pepervlek). [N 84 (1981)]
III-1-1
|