| 30019 |
mortelkuip |
mortelbak:
mǫrtǝlbak (L416p Opglabbeek),
morteltob:
mǫrtǝltǫp (L416p Opglabbeek)
|
Bak of kuip waar de metselaar mortel uit neemt tijdens het metselen. Het bestaat gewoonlijk uit een doorgezaagd olie- of teervat. [N 30, 46a; monogr.]
II-9
|
| 30012 |
mortelmaker |
dien(d)er:
[dien(d)er] (L416p Opglabbeek),
mortelmaker:
mǫrtǝlmākǝr (L416p Opglabbeek)
|
De handlanger die speciaal belast is met het klaarmaken van de mortel. In Q 15 werd de mortel in een klein bedrijf door de handlanger gemaakt. Bij grote bedrijven kende men daarvoor een speciale 'spijsmaker' ('spīsmē̜kǝr'). Het woordtype 'molenbaas' (L 210) wijst op het gebruik van een cementmolen. Zie voor de fonetische documentatie van de tussen '(...)' geplaatste termen de lemmata 'Mortel' en 'Handlanger'. [N 30, 2c; N 30, 40b; monogr.; L B1, 104 add.]
II-9
|
| 30013 |
mortelmolen |
mortelmolen:
[mortel]mīlǝ (L416p Opglabbeek)
|
Toestel dat wordt gebruikt bij het aanmaken van mortel. De mortelmolen bestaat uit een peer- of cilindervormige mengtrommel die vroeger met handkracht werd rondgedraaid en tegenwoordig met behulp van een elektromotor of een verbrandingsmotor wordt aangedreven. In de trommel zijn schoepen aangebracht die tijdens het ronddraaien de mortel mengen. Zie voor de fonetische documentatie van de woorddelen '(mortel)-', '(spijs)-' etc. het lemma 'Mortel' en van '(betonmolen)' het lemma 'Betonmolen'. [N 30, 44; monogr.]
II-9
|
| 30010 |
mortelschop |
mortelschup:
mǫrtǝlšɛp (L416p Opglabbeek)
|
Brede, platte schop die wordt gebruikt voor het aanmaken van mortel. Vgl. afb. 20. Zie voor het woordtype 'troffel' en de samenstellingen met 'troffel' ook het lemma 'Graanschop', 'Schepschop' in wld I.4, pag. 146/147. [N 30, 41b; monogr.]
II-9
|
| 20839 |
mosterd |
mosterd:
moster (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek),
mosterd (L416p Opglabbeek),
moͅstərt (L416p Opglabbeek)
|
mostaar || mostaard || mosterd [ZND 31 (1939)]
III-2-3
|
| 24355 |
mot |
mot:
mot (L416p Opglabbeek),
moͅt (L416p Opglabbeek),
ook in ZND 31, 038
mot (L416p Opglabbeek),
motpepel:
ook in ZND 31, 038
motpeepel (L416p Opglabbeek)
|
mot [ZND 01 (1922)] || mot (beschrijving) [Lk 03 (1953)] || mot, vlindertje
III-4-2
|
| 21263 |
motor |
motoor:
motô.ər (L416p Opglabbeek)
|
motor [RND]
III-3-1
|
| 25130 |
motregen, fijne regen |
het wil en kan niet:
⁄t wilt en het kan niet (L416p Opglabbeek),
motregen:
moͅtrēͅŋəl (L416p Opglabbeek),
mòtrègə (L416p Opglabbeek),
LET OP: de paginering van deel 2 (Ned.-Brees).
motrèèngel (L416p Opglabbeek),
muggenpis:
méggepis (L416p Opglabbeek),
məggəpis (L416p Opglabbeek),
muggepis (m.)
megəpes (L416p Opglabbeek),
muggenzeik:
méggezèjk (L416p Opglabbeek),
neetsel:
LET OP: de paginering van deel 2 (Ned.-Brees).
neetsel (L416p Opglabbeek),
stofregen:
stofregen (m.)
stofrēͅŋəl (L416p Opglabbeek),
van de kromme:
LET OP: de paginering van deel 2 (Ned.-Brees). ps. wel vermeld op blz. 258: dèè kròmme rèèngel!
van dèè kròmme (L416p Opglabbeek)
|
klein beetje regen [muggepis, pleisterke regen] [N 81 (1980)] || motregen, fijne regen || motregen, stofregen [moef-, stief-, smook- naajersregen, stobber, mozel, mot, smies] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 25100 |
motregenen, licht regenen |
daar valt het van de kromme:
LET OP: de paginering van deel 2 (Ned.-Brees).
doa viltsj van dèè kròmme (L416p Opglabbeek),
druppelen:
dréppele (L416p Opglabbeek),
neetselen:
neetsele (L416p Opglabbeek),
níetsələ (L416p Opglabbeek),
t bəgent tə nīətsələ (L416p Opglabbeek),
(heeft hier de betekenis van motregenen).
neetsele (L416p Opglabbeek),
sprinkelen:
sprinkələ (L416p Opglabbeek),
zeveren:
hət zeͅivərt (L416p Opglabbeek),
zeͅivərə (L416p Opglabbeek),
zèjvere (L416p Opglabbeek),
zeiveren. of als 18.
zeͅivərə (L416p Opglabbeek)
|
beginnen te motregenen [te stieven, stiefregenen, mozelen, smossen, riezelen, ziebelen, zauwelen, netelen, zéémelen] [N 22 (1963)] || klein beetje regen [muggepis, pleisterke regen] [N 81 (1980)] || lichtjes regenen [sprenkelen, siebelen, zeiveren] [N 22 (1963)] || miezelen, motregenen || motregen, fijne regen || zeer weinig regenen, zodat de grond maar net nat is [spruikelen] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 28525 |
motzwerm |
motzwerm:
motzwerm (L416p Opglabbeek)
|
Volk dat zijn bijenwoning verlaat, omdat het door de wasmot is aangetast. [N 63, 37d]
II-6
|