| 25664 |
mout |
mout:
mawt (L416p Opglabbeek)
|
Het op de eest of eestvloer gedroogde en eventueel geroosterde graan. Zie ook de semantische toelichting bij het lemma ''eesten''. [N 35, 20; L 1a-m; L 1u, 166; S 5; Jan 14d; monogr.]
II-2
|
| 18264 |
mouw |
mouw:
moe (L416p Opglabbeek),
mouw (L416p Opglabbeek),
mu, ein muwke (L416p Opglabbeek),
mŭŭw (L416p Opglabbeek),
myw (L416p Opglabbeek),
myw, ei mykə (L416p Opglabbeek),
mǫw (L416p Opglabbeek),
twie muwe (L416p Opglabbeek),
twīə mywə (L416p Opglabbeek)
|
de mouw [N 59 (1973)] || een mouw, een mouwtje [ZND 31 (1939)] || Hoe noemt U in het algemeen een mouw? [N 62 (1973)] || mouw (meervoud) [ZND 31 (1939)] || Mouw van bijv. een colbert of japon. [N 59, 126; N 62, 34a; MW]
II-7, III-1-3
|
| 18714 |
mouw met kanten plooisel |
geplisseerde (<fr.) mouw:
gəplīsēͅrt (L416p Opglabbeek)
|
mouw met kanten plooisel [lobmouw] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 28585 |
mouwen ter bescherming |
mouwen:
mouwen (L416p Opglabbeek)
|
Soort mouwtjes al of niet met handschoen, die sommige imkers als extra bescherming dragen. [N 63, 75b]
II-6
|
| 29063 |
mouwkop |
kop:
kop (L416p Opglabbeek)
|
Het gedeelte van de mouw van het colbert dat in de armsgatuitsnijding wordt ingewerkt. [N 59, 128]
II-7
|
| 29070 |
mouwomslag, manchet |
manchet:
manchet (L416p Opglabbeek)
|
Verlengstuk aan het einde van een mouw; vaak afzonderlijk, en dan al of niet aan de mouw vastgemaakt. [N 62, 34d; N 59, 134; MW]
II-7
|
| 28903 |
mouwplank |
mouwplank:
mǫwplaŋk (L416p Opglabbeek)
|
De mouwplank gebruikt men voor het openpersen van de mouwnaden; zij wordt daartoe in de mouwen gestoken. De informant van L 416 zegt een mouwplank met één poot te gebruiken. Zie ook het lemma ɛpersplankɛ. Zie afb. 16.' [N 59, 19d]
II-7
|
| 18325 |
mouwschort |
mouwenscholk:
mywəšolək (L416p Opglabbeek)
|
schort met mouwen [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 29066 |
mouwsplitje |
mouwsplit:
mouwsplit (L416p Opglabbeek)
|
Het splitje onder aan de mouw van het colbert. [N 59, 131a]
II-7
|
| 29069 |
mouwvoering aannaaien |
aanslaan:
aanslaan (L416p Opglabbeek)
|
De voering van de mouw aan het armsgat hechten. [N 59, 127]
II-7
|