| 34407 |
naar de ram brengen |
leiden:
lęi̯ǝ (L416p Opglabbeek)
|
Het vrouwelijk schaap laten bevruchten door de bok. [N 77, 33; N 77, 32; JG 1a, 1b; monogr.]
I-12
|
| 25223 |
naar de regen staan |
het huis staat open:
⁄t hy(3)̄es stēͅi̯t opə rēͅngəl (L416p Opglabbeek)
|
het huis staat naar de regen [ZND 13 (1925)]
III-4-4
|
| 17848 |
naar huis gaan |
heimwaarts gaan:
heivers"= huiswaarts.
ny gaun ix hɛ.ivərs (L416p Opglabbeek)
|
Wat zegt men in uw dialect? Nu ga ik naar huis. [ZND 48 (1954)]
III-1-2
|
| 34013 |
naar links |
haar:
hār (L416p Opglabbeek)
|
Voermansroep om het paard naar links te doen gaan. [JG 1b; N 8, 95 c, 95d en 96; L 1 a-m; L B 2, 255; L 26, 2; L 36, 81c; S 12; monogr.]
I-10
|
| 34014 |
naar rechts |
hut:
hyt (L416p Opglabbeek)
|
Voermansroep om het paard naar rechts te doen gaan. [JG 1b; N 8, 95a en 96; L 1 a-m; L B 2, 256; L 26, 2; L 36, 81d; S 12; monogr.]
I-10
|
| 23948 |
naaste |
evennaaste:
éévə naastə (L416p Opglabbeek)
|
Je/uw naaste, evennaaste, evenmens [naoste, nôste, èèvemins]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 23725 |
nabidden |
nabeden:
nōͅbɛ̄jə (L416p Opglabbeek)
|
Nabidden, d.w.z. antwoorden bij het bidden, de tweede helft van een gebed bidden. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 21816 |
nabootsen |
na-apen:
nòáápə (L416p Opglabbeek)
|
iemands stemgeluid imiteren [nabootsen, papegaaien] [N 87 (1981)]
III-3-1
|
| 24213 |
nachtegaal |
nachtegaal:
nachtegoal (L416p Opglabbeek),
naxtəgal (L416p Opglabbeek),
naxtəgāl (L416p Opglabbeek)
|
nachtegaal [ZND 39 (1942)] || nachtegaal (16,5 bekend; kleine bruine vogel met rossige staart; vrij zeldzame zomervogel; verborgen levend; beroemd om de zang [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 18609 |
nachthemd |
nachthemd:
naogthemə (L416p Opglabbeek)
|
nachthemd [N 25 (1964)]
III-1-3
|