| 18608 |
nachtjapon |
jakje:
jeͅkskə (L416p Opglabbeek)
|
nachtjapon [nachtpon, bedjak, nachtjak, jak] [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 18607 |
nachtkleren |
nachtkleren:
naogtkleͅ`ər (L416p Opglabbeek)
|
nachtkleding in het algemeen [t naachtdinge] [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 23772 |
nachtmis |
nachtmis:
nachtməs (L416p Opglabbeek),
nágtmes (L416p Opglabbeek)
|
De mis die snachts wordt gedaan, nachtmis. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 24214 |
nachtzwaluw |
geitenmelker:
geitemölker (L416p Opglabbeek),
nachtzwalf:
nachtzwalef (L416p Opglabbeek)
|
nachtzwaluw
III-4-1
|
| 18937 |
nadeel |
nadeel:
Och, ich weit ¯t neet; de höbs doa eigenlik viêr- of noadeil van
noadeil (L416p Opglabbeek)
|
nadeel
III-1-4
|
| 34179 |
nageboorte van de koe |
rein:
rē̜i̯n (L416p Opglabbeek),
ręi̯n (L416p Opglabbeek)
|
[N 3A, 57a; JG 1a, 1b; A 33, 19b; monogr.]
I-11
|
| 33881 |
nageboorte van het paard |
(het) vuil:
vȳl (L416p Opglabbeek),
bed:
bęt (L416p Opglabbeek)
|
Moederkoek die na de geboorte van het veulen afkomt. [A 33, 19a; N 8, 54 en 55]
I-9
|
| 17770 |
nagel |
nagel:
nagəl (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek)
|
een nagel [ZND A1 (1940sq)] || een nagel, (nagels) [ZND A2 (1940sq)]
III-1-1
|
| 25410 |
nagels verwijderen |
nagels uittrekken:
nęjgǝls ūttrękǝ (L416p Opglabbeek)
|
De nagels worden meestal afgetrokken met de haak die aan de bovenkant van de krabber zit. Men kapt of snijdt ze ook wel af of wringt ze met de hand af. Alvorens de nagels te verwijderen houdt men ze in heet, zelfs kokend water. [N 28, 35; monogr.]
II-1
|
| 32986 |
nagewas |
navrucht:
nǭvrext (L416p Opglabbeek)
|
Het tweede gewas dat op een veld wordt geteeld nadat men er eerder al geoogst heeft. Bamis is een verkorting van ''Bavo-mis'', ofwel 1 oktober, feest van Sint Bavo; het heeft dan ook de betekenis van "herfst". Vergelijk het lemma ''zaaien, van nagewas'' (2.3). [JG 1a, 1b; monogr.]
I-4
|