| 34608 |
onderbak |
getuigbak:
gǝtix˱bak (L416p Opglabbeek)
|
Onder de kar opgehangen laadvloertje. [N 17, 86]
I-13
|
| 18401 |
ondergoed |
ondergoed:
oendergoet (L416p Opglabbeek),
u:nərgōt (L416p Opglabbeek)
|
ondergoed, onderkleren [t onderdinge] [N 25 (1964)] || Onderkleding. Wat is in uw dialect het gewone woord voor onderkleding? [DC 62 (1987)]
III-1-3
|
| 32640 |
ondergronder, woeler |
grondbreker:
gront˱brē̜kǝr (L416p Opglabbeek),
wroeter:
vrētǝr (L416p Opglabbeek
[(de ploeg)]
)
|
De ondergronder of woeler was een aparte ploeg zonder kouter en riester, maar met een lansvormige schaar of twee in tegenovergestelde richting geplaatste messen vóór op het ploeghoofd. Vaak werd de oude aanaardploeg tot ondergronder omgebouwd. Met deze ploeg, die vóór de gewone ploeg uitging of erop volgde, werd de ondergrond, de bodem van de voor opengebroken. Men kon ook met de gewone ploeg de ondergrond losrakelen, door op de plaats van de voorschaar of het kouter, dan wel aan of onder de ploeghiel een woelschaar, een woelhaak of woelmes aan te brengen. Aldus werd tegelijkertijd de bovengrond geploegd en de ploegzool opengebroken. [N 11, 33j; N 11A, 76a + 76b + 77; N 27, 14]
I-1
|
| 33947 |
onderhaam |
onderhaam:
onǝrhām (L416p Opglabbeek)
|
Twee met elkaar verbonden kussens die het paard onder het haam draagt, als dat te groot is. [N 13, 11; monogr.]
I-10
|
| 21579 |
onderhandelen |
commercen (<fr.):
ps. omgespeld volgens Frings.
kəmeͅrsə (L416p Opglabbeek),
halvelings akkoord zijn:
ps. omgespeld volgens Frings.
hōͅu̯vəleŋs aky(3)̄rt meͅt (L416p Opglabbeek)
|
Inventarisatie uitdrukkingen voor: in onderhandeling zijn over een bepaalde koop [in beding zijn met iemand?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 18257 |
onderhemd |
hemd:
hemmən - hemmə (L416p Opglabbeek),
hemə (L416p Opglabbeek)
|
hemd, hemden [ZND 01u (1924)] || onderhemd, onderkledingstuk dat op het blote lijf gedragen wordt [im, emmek, hem, himp, kemsel, liejms, sjmies, vlok] [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 18313 |
onderjurk |
onderkleed:
unərkleͅit (L416p Opglabbeek)
|
onderjurk, onderkleed met lijfje en schouderbanden [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 29059 |
onderkraag |
onderkraag:
onderkraag (L416p Opglabbeek)
|
Het onderste gedeelte van de kraag dat niet in het zicht komt. Het materiaal voor de onderkraag is doorgaans dunne maar dichtgeweven stof. Traditioneel wordt hiervoor kleermakersvilt gebruikt (Het Beste Naaiboek, pag. 389). [N 59, 121b]
II-7
|
| 19395 |
onderkussen, peluw |
pulm:
peͅlm (L416p Opglabbeek),
pèlem (L416p Opglabbeek),
pèlləm (L416p Opglabbeek),
péllim (L416p Opglabbeek),
hoofdmatras of langwerpig onderkussen
pöllem (L416p Opglabbeek),
pölm (L416p Opglabbeek)
|
het langwerpig kussen dat op de matras en onder het eigenlijke hoofdkussen ligt (Fr. traversin) [ZND 27 (1938)] || Langwerpig, rond onderkussen onder het hoofdkussen (peul, pulling, uppeling, kopkussen) [N 79 (1979)] || peluw
III-2-1
|
| 17619 |
onderlip |
onderlip:
oenerlip (L416p Opglabbeek),
onərlep (L416p Opglabbeek)
|
onderlip [N 10b (1961)] || Onderlip (onderlip, onderste lip) [N 106 (2001)]
III-1-1
|