| 18947 |
ondeugend, stout |
onnuttig:
ònnöttig (L416p Opglabbeek),
stout:
stuit (L416p Opglabbeek),
støͅit (L416p Opglabbeek)
|
stout [ZND A2 (1940sq)]
III-1-4
|
| 32696 |
ondiep |
dreeg:
dręi̯x (L416p Opglabbeek),
licht:
lext (L416p Opglabbeek)
|
De in dit lemma genoemde termen voor ondiep (kunnen) worden gebruikt in verbinding met een werkwoord voor "ploegen". Vaak kent men voor het verrichten van ondiep ploegwerk een speciale term. Zie daarvoor het volgende lemma. [JG 1a + 1b + 1c; N 11, 39 + 42a + 43 + 44 + 45 + 47; N 11A, 107b + 110a + b; N P, 12; A 20, 1c; Lu 1, 1c; A 23, 1c; A 27, 24b; Lu 5, 24b; monogr.]
I-1
|
| 32697 |
ondiep ploegen |
dreeg ploegen:
[dreeg ploegen] (L416p Opglabbeek),
hardland ploegen:
hãrtlant plōgǝ (L416p Opglabbeek)
|
De termen die in dit lemma zijn opgenomen, hebben met elkaar gemeen dat zij toepasselijk zijn op de een of andere manier van ondiep ploegen, waarbij de grond minder diep wordt losgesneden en ook veel minder wordt omgekeerd dan bij het ploegen van de zaaivoor het geval is. Men beploegt het land met een ondiepe en vaak ook brede voor a) als het de bewerking van een stoppelveld betreft (vergelijk het betrokken lemma); b) als in het late najaar een akker op de wintervoor gelegd moet worden (zie dat lemma), waarbij men mest oppervlakkig kan onderploegen (zie het betreffende lemma); c) bij de bewerking van braakland of van een hardliggende, met onkruid begroeide akker; d) als bij het scheuren van een weide eerst de grasmat wordt afgeploegd (vergelijk het lemma een weide scheuren). Voor deze manier van ploegen gebruikte men vroeger een eenscharige (voet)ploeg zonder voorschaar en vaak ook zonder kouter, later vooral een meerscharige ploeg met kleine scharen. Het land kon ook met de cultivator ondiep bewerkt worden. Voor de varianten die hieronder (geheel of deels) in de (...)-vorm zijn vermeld, zie men de lemmata ondiep en ploegen. [JG 1b; N 11, 45 + 47; N 11A, 108b + 109a; N P, 12 add.; A 20, 1b add.; monogr.]
I-1
|
| 24527 |
oneetbare bes |
vergiftigde beer:
WBD/WLD
vərgiftigde bīēr (L416p Opglabbeek)
|
Een bes die niet geschikt is voor consumptie (kral, vergifbezie). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 33829 |
onelegant paard |
sloeber:
slubǝr (L416p Opglabbeek)
|
Lomp paard. [N 8, 20 en 62n]
I-9
|
| 28784 |
ongebleekte baalkatoen |
baalkatoen:
balkǝtȳn (L416p Opglabbeek)
|
Ongebleekt katoenen weefsel. Volgens de informanten van L 416 en Q 83 wordt deze stof gebruikt voor de bereiding van lakens. [N 62, 89a; N 62, 77; N 62, 98, N 62, 75e; 59, 201]
II-7
|
| 30020 |
ongebluste kalk |
ongeleste kalk:
ungǝlɛs˱dǝ kalǝk (L416p Opglabbeek)
|
Gebrande kalk die nog niet met water is aangelengd. Schelpkalk, steenkalk en mergelkalk zijn verschillende soorten ongebluste kalk. Zie ook de toelichting bij deze lemmata. De term 'kluitkalk' wordt gebruikt voor Luikse kalk die als grondstof de Belgische hardsteen heeft (Zwiers I, pag. 591). [N 30, 29a; monogr.]
II-9
|
| 24360 |
ongedierte, algemeen |
gewormt:
gəwēͅrmt (L416p Opglabbeek),
knozelen:
knyzələ (muggen) (L416p Opglabbeek),
luizen:
lûs, mv. li-js (L416p Opglabbeek)
|
ongedierte [ZND 40 (1942)]
III-4-2
|
| 20382 |
ongehuwd samenleven |
bijeen wonen:
bīē-ijnwūūnə (L416p Opglabbeek)
|
samenleven van man en vrouw zonder dat ze met elkaar getrouwd zijn [meuken, jennen] [N 86 (1981)]
III-2-2
|
| 20337 |
ongehuwde moeder |
heggenweef:
letterlijk volkse benaming voor ongehuwde moeder
hègkeweef (L416p Opglabbeek),
stoppelweef:
volkse benaming
stoppelweef (L416p Opglabbeek)
|
haagweduwe, ongehuwde moeder || ongehuwde moeder
III-2-2
|