| 20922 |
onrijp |
grasgroen:
WBD/WLD
grāāsgreen (L416p Opglabbeek),
groen:
WBD/WLD
green (L416p Opglabbeek),
rauw:
ruîw (L416p Opglabbeek)
|
Niet rijp, gezegd van een vrucht (groen, groenweg). [N 82 (1981)] || onrijp
III-2-3
|
| 33535 |
onrijp, onvolgroeid |
grasgroen:
WBD/WLD
grāāsgreen (L416p Opglabbeek),
groen:
WBD/WLD
green (L416p Opglabbeek)
|
Niet rijp, gezegd van een vrucht (groen, groenweg). [N 82 (1981)]
I-7
|
| 25175 |
onstuimige lucht |
dikke lucht:
dekə loͅxt (L416p Opglabbeek),
wilde wolken:
wilde wolken
wel wøͅykə (L416p Opglabbeek)
|
onstuimige, woest bewolkte lucht [grellig] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 20581 |
ontbijt |
koffiedrinken, het -:
kofidreͅnkə (L416p Opglabbeek),
morgenbrood:
mergenbruud (L416p Opglabbeek),
mèrgebrūūd (L416p Opglabbeek),
mèrgəbruud (L416p Opglabbeek),
mɛrgəbry(3)̄t (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek)
|
de eerste maaltijd van de dag [ZND 40 (1942)] || maaltijden; Hoe noemt U: Namen voor de verschillende maaltijden, afhankelijk van de tijd van de dag, eventueel van het jaar [N 80 (1980)] || namen en uren van de dagelijkse maaltijden: 7 uur [ZND 18G (1935)]
III-2-3
|
| 20814 |
ontbijtkoek, peperkoek |
peperkoek:
pēͅpərkōk (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek),
Det gòng (of ging) er in wi-j pèperkook: dat smaakt blijkbaar uitstekend
pèperkook (L416p Opglabbeek)
|
peperkoek [ZND 40 (1942)]
III-2-3
|
| 33711 |
ontginnen |
goed maken:
gōt mākǝ (L416p Opglabbeek)
|
Het in cultuur brengen van woeste grond. [N 27, 5; N 11a, 112; monogr.]
I-8
|
| 17706 |
ontlasting hebben |
afgaan:
i.e. stoelgang.
āāfguun (L416p Opglabbeek),
schijten:
sjīēte (L416p Opglabbeek)
|
ontlasting hebben [afgon, leutere, driete, zijn gevoeg doen] [N 10c (1995)]
III-1-1
|
| 18040 |
ontsteking |
zweer:
zwèèr (L416p Opglabbeek)
|
Ontsteking: plaatselijke infectie van weefsel, lichaamsdelen, gepaard gaande met roodheid, zwelling en pijn (meuk, mik, zweer, (ver)zwering). [N 107 (2001)]
III-1-2
|
| 21688 |
ontvangen |
innen:
innə (L416p Opglabbeek)
|
in het bezit gesteld worden van bijv. geld [beuren, inbeuren ontvangen] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 28663 |
ontzegelen |
ontzegelen:
ontzegelen (L416p Opglabbeek)
|
Het verwijderen van de wasdeksels die de honingcellen bedekken. Voordat de raten in de slinger gaan, moeten ze ontzegeld worden. Men heeft hiervoor een ontzegelmes of een ontzegelvork, soms werkt men, enigszins primitief, met een gewone eetvork. De techniek van het ontzegelen is uiterst eenvoudig. Het raam wordt bij de oren vastgehouden. Het steunt met een punt op een over de ontzegelbak gelegd plankje. Het mes wordt dan langs de latten gehaald waardoor de wasdeksels in een bak vallen. [N 63, 124a; Ge 37, 169; monogr.]
II-6
|