e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Opglabbeek

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
onwel krank: ich bən krànk (Opglabbeek), krank (Opglabbeek, ... ), misselijk: misselik (Opglabbeek), niet te goed: bòs tə neet tə gōēj (Opglabbeek), ich bən neet tə gōēj (Opglabbeek), neet te gooi (Opglabbeek), ziek: zeek (Opglabbeek) hij is niet al te wel; hij is onpasselijk (de echte dialectwoorden hiervoor) [ZND 32 (1939)] || Onwel: zich niet gezond voelend (erg, onwel, niet goed, misselijk). [N 107 (2001)] || Onwel: zich niet gezond voelend (erg, onwel, onlustig, niet prut, kadies, dings). [N 84 (1981)] || Zich niet lekker voelen (niet lekker, niet goed, gammel, krank). [N 107 (2001)] || Zich niet lekker voelen (spijten, kruchen, in de lappenmand zijn). [N 84 (1981)] III-1-2
onze-lieve-vrouw onze-lieve-vrouwtje: uis liĕf vruiwkə (Opglabbeek) Onze Lieve Vrouw [Lie(f)vrouw, Sliefvrouw]. [N 96D (1989)] III-3-3
onzevader onzevader: onze vader (Opglabbeek), paternoster: pater noster (Opglabbeek) Het door de priester gezongen Pater Noster, het Onze Vader. [N 96B (1989)] || Het gebed "Onze Vader", "Pater noster"[Vadder-óns, Vadder-ónzer, noster]. [N 96B (1989)] III-3-3
onzichtbaar naaien blind naaien: blind naaien (Opglabbeek) Naaien zonder zichtbare naden. [N 59, 70; N 62, 15c; N 59, 59] II-7
onzichtbare sluiting blinde sluiting: blinde sluiting (Opglabbeek) een jas met onzichtbare sluiting [N 59 (1973)] III-1-3
ooft bakkemuizen: De benamig komt van gebakken muizen(de in het bakhuis) gedroogde peren leken op de muizen die in de stallen rondliepen  bakkemûze (Opglabbeek), ganse vrucht  bàkkemi-js (Opglabbeek), ooften: ofte (Opglabbeek), òfte (Opglabbeek), ganse vrucht  aofte (Opglabbeek) Gedroogde peer waarvan (met meerdere exemplaren) moes gemaakt wordt waarmee taarten gevuld worden || ooft; Hoe noemt U: Appelen of peren, in schijven gedroogd (in de oven) [N 80 (1980)] III-2-3
ooftvlaai bakkemuizenvlaai: Als ze destijds in de houtoven brood gebakken hadden, droogden ze de peren op de nog warme ovenvloer. Daarvan bakten ze met kermis "vlaai"; een delicatesse met ietwat wilde smaak die refereerde aan het ooft van weleer  bakkemûzevlaai (Opglabbeek), ooftenvlaai: ōͅftə vlāj (Opglabbeek), taartenpomvlaai: Verkl. èè terptepimke  tertepòmvlaai (Opglabbeek) gedroogde peren voor het bakken van een vlaai || taart van geconfijte appelschijfjes || Vla met moes van gedroogde appelen (euftevlaoj, zwarte vla?) [N 16 (1962)] III-2-3
oog oog: ö.ygə (Opglabbeek), øͅyx (Opglabbeek), ǫu̯x (Opglabbeek) ogen [RND] || oog [N 10b (1961)] || Zie afbeelding 2.4. [JG 1a, 1b] I-9, III-1-1
oog van de naald naaldoog: nǭltōx (Opglabbeek) De opening van de naald waardoorheen men de draad steekt. [N 59, 11b; Gi 1.IV, 13b; monogr.] II-7
oogkleppen lonklappen: lo.ŋklap (Opglabbeek), lo.ŋklɛp (Opglabbeek), ooglappen: ǫu̯xlɛp (Opglabbeek) Nagenoeg vierkante leren kleppen die ter hoogte van de ogen aan het hoofdstel vastgemaakt zijn. De oogkleppen dwingen het paard altijd voor zich uit te kijken, en voorkomen zo dat het naast zich iets zou bemerken dat het doet schrikken. [JG 1a, 1b, 1c, 2b, 2c; N 13, 28; monogr.] I-10