| 17973 |
onwel |
krank:
ich bən krànk (L416p Opglabbeek),
krank (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek,
L416p Opglabbeek),
misselijk:
misselik (L416p Opglabbeek),
niet te goed:
bòs tə neet tə gōēj (L416p Opglabbeek),
ich bən neet tə gōēj (L416p Opglabbeek),
neet te gooi (L416p Opglabbeek),
ziek:
zeek (L416p Opglabbeek)
|
hij is niet al te wel; hij is onpasselijk (de echte dialectwoorden hiervoor) [ZND 32 (1939)] || Onwel: zich niet gezond voelend (erg, onwel, niet goed, misselijk). [N 107 (2001)] || Onwel: zich niet gezond voelend (erg, onwel, onlustig, niet prut, kadies, dings). [N 84 (1981)] || Zich niet lekker voelen (niet lekker, niet goed, gammel, krank). [N 107 (2001)] || Zich niet lekker voelen (spijten, kruchen, in de lappenmand zijn). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 23927 |
onze-lieve-vrouw |
onze-lieve-vrouwtje:
uis liĕf vruiwkə (L416p Opglabbeek)
|
Onze Lieve Vrouw [Lie(f)vrouw, Sliefvrouw]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 23647 |
onzevader |
onzevader:
onze vader (L416p Opglabbeek),
paternoster:
pater noster (L416p Opglabbeek)
|
Het door de priester gezongen Pater Noster, het Onze Vader. [N 96B (1989)] || Het gebed "Onze Vader", "Pater noster"[Vadder-óns, Vadder-ónzer, noster]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 29004 |
onzichtbaar naaien |
blind naaien:
blind naaien (L416p Opglabbeek)
|
Naaien zonder zichtbare naden. [N 59, 70; N 62, 15c; N 59, 59]
II-7
|
| 18570 |
onzichtbare sluiting |
blinde sluiting:
blinde sluiting (L416p Opglabbeek)
|
een jas met onzichtbare sluiting [N 59 (1973)]
III-1-3
|
| 20557 |
ooft |
bakkemuizen:
De benamig komt van gebakken muizen(de in het bakhuis) gedroogde peren leken op de muizen die in de stallen rondliepen
bakkemûze (L416p Opglabbeek),
ganse vrucht
bàkkemi-js (L416p Opglabbeek),
ooften:
ofte (L416p Opglabbeek),
òfte (L416p Opglabbeek),
ganse vrucht
aofte (L416p Opglabbeek)
|
Gedroogde peer waarvan (met meerdere exemplaren) moes gemaakt wordt waarmee taarten gevuld worden || ooft; Hoe noemt U: Appelen of peren, in schijven gedroogd (in de oven) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 20736 |
ooftvlaai |
bakkemuizenvlaai:
Als ze destijds in de houtoven brood gebakken hadden, droogden ze de peren op de nog warme ovenvloer. Daarvan bakten ze met kermis "vlaai"; een delicatesse met ietwat wilde smaak die refereerde aan het ooft van weleer
bakkemûzevlaai (L416p Opglabbeek),
ooftenvlaai:
ōͅftə vlāj (L416p Opglabbeek),
taartenpomvlaai:
Verkl. èè terptepimke
tertepòmvlaai (L416p Opglabbeek)
|
gedroogde peren voor het bakken van een vlaai || taart van geconfijte appelschijfjes || Vla met moes van gedroogde appelen (euftevlaoj, zwarte vla?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 17592 |
oog |
oog:
ö.ygə (L416p Opglabbeek),
øͅyx (L416p Opglabbeek),
ǫu̯x (L416p Opglabbeek)
|
ogen [RND] || oog [N 10b (1961)] || Zie afbeelding 2.4. [JG 1a, 1b]
I-9, III-1-1
|
| 28875 |
oog van de naald |
naaldoog:
nǭltōx (L416p Opglabbeek)
|
De opening van de naald waardoorheen men de draad steekt. [N 59, 11b; Gi 1.IV, 13b; monogr.]
II-7
|
| 33935 |
oogkleppen |
lonklappen:
lo.ŋklap (L416p Opglabbeek),
lo.ŋklɛp (L416p Opglabbeek),
ooglappen:
ǫu̯xlɛp (L416p Opglabbeek)
|
Nagenoeg vierkante leren kleppen die ter hoogte van de ogen aan het hoofdstel vastgemaakt zijn. De oogkleppen dwingen het paard altijd voor zich uit te kijken, en voorkomen zo dat het naast zich iets zou bemerken dat het doet schrikken. [JG 1a, 1b, 1c, 2b, 2c; N 13, 28; monogr.]
I-10
|