| 33152 |
opstapelen van graanzakken |
ophopen:
ǫphęi̯pǝ (L416p Opglabbeek),
ǫphǭǝpǝ (L416p Opglabbeek),
optassen:
ǫptastǝ (L416p Opglabbeek)
|
Zakken met graan op een hoop zetten. [L 27, 24]
I-4
|
| 32936 |
opsteker |
opsteker:
ǫpstē̜kǝr (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek)
|
Degene die de schoven met de gaffel,opsteekt naar de tasser op de wagen. Vergelijk de toelichting bij het lemma ''opsteken'' (5.1.3) en het lemma ''opsteker'' (5.1.6) in aflevering I.3, van hooi op de oogstkar. [N 15, 40; monogr.; add. uit JG 1a, 1b] || Degene die het hooi met de oogstgaffel opsteekt naar de optasser op de wagen. [N 14, 121a; A 34, 3a]
I-3, I-4
|
| 32939 |
optasser |
lader:
lāi̯ǝr (L416p Opglabbeek)
|
Degene die, staande op de kar, het hooi van de opsteker aanneemt en het er opstapelt. [N 14, 121b; A 34, 3b]
I-3
|
| 17900 |
optillen |
heffen:
hefə (L416p Opglabbeek),
opheffen:
ophefən (L416p Opglabbeek),
ophèffe (L416p Opglabbeek),
òphɛfə (L416p Opglabbeek)
|
dat kan ik opheffen [ZND 26 (1937)] || opheffen, tillen [ZND A1 (1940sq)] || optillen [RND]
III-1-2
|
| 28579 |
optissen |
optissen:
optissen (L416p Opglabbeek)
|
Het maken van geluid door de bijen als men de korf of kast opent. [N 63, 72]
II-6
|
| 26361 |
optrekken, opdraaien |
optrekken:
ǫptrękǝ (L416p Opglabbeek)
|
De sluis openen met behulp van een hefboom of een winde. In het eerste geval spreekt men in het algemeen van optrekken, in het tweede geval van opdraaien of opendraaien. Volgens Coenen (pag. 47) gebeurde het opdraaien ɛs avonds, het afdraaien ɛs morgens. Zie ook het lemma ɛaflaten, afdraaienɛ.' [Vds 42; Jan 43; Coe 29; Grof 59; monogr.]
II-3
|
| 34000 |
optuigen |
aandoen:
āndōn (L416p Opglabbeek)
|
Een trekpaard van het nodige trektuig voorzien. Men zet het hoofdstel op het hoofd van het paard, plaatst het haam om zijn nek, legt het schoftzadel op zijn rug en doet het achterhaam aan. Tenslotte gespt men de verschillende delen aan elkaar. [JG 1b; N 8, 97a; monogr.]
I-10
|
| 20201 |
opvoeden, grootbrengen |
opbrengen:
opbrènge (L416p Opglabbeek),
opleiden:
opleije (L416p Opglabbeek),
optrekken:
een volkser gezegde voor opleije
optrèkke (L416p Opglabbeek)
|
opvoeden || opvoeden, grootbrengen
III-2-2
|
| 20207 |
opvoeding |
opvoeding:
opvojing (L416p Opglabbeek)
|
opvoeding
III-2-2
|
| 19037 |
opzettelijk |
expres:
ekspres (L416p Opglabbeek),
De höbs det espres neet gezagt
espres (L416p Opglabbeek),
ook materiaal znd 1a-m
espres (L416p Opglabbeek),
eͅkspreͅs (L416p Opglabbeek)
|
moedwillig, opzettelijk || moedwillig,opzettelijk || opzettelijk [ZND 23 (1937)]
III-1-4
|