e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Opglabbeek

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
opstapelen van graanzakken ophopen: ǫphęi̯pǝ (Opglabbeek), ǫphǭǝpǝ (Opglabbeek), optassen: ǫptastǝ (Opglabbeek) Zakken met graan op een hoop zetten. [L 27, 24] I-4
opsteker opsteker: ǫpstē̜kǝr (Opglabbeek, ... ) Degene die de schoven met de gaffel,opsteekt naar de tasser op de wagen. Vergelijk de toelichting bij het lemma ''opsteken'' (5.1.3) en het lemma ''opsteker'' (5.1.6) in aflevering I.3, van hooi op de oogstkar. [N 15, 40; monogr.; add. uit JG 1a, 1b] || Degene die het hooi met de oogstgaffel opsteekt naar de optasser op de wagen. [N 14, 121a; A 34, 3a] I-3, I-4
optasser lader: lāi̯ǝr (Opglabbeek) Degene die, staande op de kar, het hooi van de opsteker aanneemt en het er opstapelt. [N 14, 121b; A 34, 3b] I-3
optillen heffen: hefə (Opglabbeek), opheffen: ophefən (Opglabbeek), ophèffe (Opglabbeek), òphɛfə (Opglabbeek) dat kan ik opheffen [ZND 26 (1937)] || opheffen, tillen [ZND A1 (1940sq)] || optillen [RND] III-1-2
optissen optissen: optissen (Opglabbeek) Het maken van geluid door de bijen als men de korf of kast opent. [N 63, 72] II-6
optrekken, opdraaien optrekken: ǫptrękǝ (Opglabbeek) De sluis openen met behulp van een hefboom of een winde. In het eerste geval spreekt men in het algemeen van optrekken, in het tweede geval van opdraaien of opendraaien. Volgens Coenen (pag. 47) gebeurde het opdraaien ɛs avonds, het afdraaien ɛs morgens. Zie ook het lemma ɛaflaten, afdraaienɛ.' [Vds 42; Jan 43; Coe 29; Grof 59; monogr.] II-3
optuigen aandoen: āndōn (Opglabbeek) Een trekpaard van het nodige trektuig voorzien. Men zet het hoofdstel op het hoofd van het paard, plaatst het haam om zijn nek, legt het schoftzadel op zijn rug en doet het achterhaam aan. Tenslotte gespt men de verschillende delen aan elkaar. [JG 1b; N 8, 97a; monogr.] I-10
opvoeden, grootbrengen opbrengen: opbrènge (Opglabbeek), opleiden: opleije (Opglabbeek), optrekken: een volkser gezegde voor opleije  optrèkke (Opglabbeek) opvoeden || opvoeden, grootbrengen III-2-2
opvoeding opvoeding: opvojing (Opglabbeek) opvoeding III-2-2
opzettelijk expres: ekspres (Opglabbeek), De höbs det espres neet gezagt  espres (Opglabbeek), ook materiaal znd 1a-m  espres (Opglabbeek), eͅkspreͅs (Opglabbeek) moedwillig, opzettelijk || moedwillig,opzettelijk || opzettelijk [ZND 23 (1937)] III-1-4