| 33966 |
opzetteugel |
optoom:
ǫptø̜i̯m (L416p Opglabbeek)
|
Leren riem die van het bit door de ringen boven op het haam naar het schoftzadel loopt en belet dat het paard bij het trekken gras vreet. [N 13, 33]
I-10
|
| 28065 |
opzichter |
toezichter:
tyzextǝr (L416p Opglabbeek)
|
De man onder wiens leiding de werkzaamheden op het bouwwerk worden verricht. In K 359 werd de controle door de 'architect' ('ažet'k') verricht. 'Conducteurs' werden in Q 83 slechts op grote bouwwerken ingezet ter vervanging van de aannemer. [N 30, 3d; N 30, 3e; monogr.]
II-9
|
| 20130 |
opzitten |
zitten:
WBD/WLD
zītə (L416p Opglabbeek)
|
Hoe noemt u op de achterste poten zitten met opgeheven voorpoten, gezegd van een hond (bidden, lezen) [N 83 (1981)]
III-2-1
|
| 25409 |
oren verwijderen |
afsnijden:
āfsnī-jǝ (L416p Opglabbeek)
|
De oren, waarin het loodje zit dat na de eerste keuring is aangebracht, mogen pas worden afgesneden nadat het varken voor de tweede maal is gekeurd. De oren worden meestal verwerkt in de zult. [N 28, 69]
II-1
|
| 23570 |
organist |
orgelist:
ergellist (L416p Opglabbeek),
orgalist (L416p Opglabbeek)
|
De organist, orgelist. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 22737 |
orgel |
harmonium:
harmüünejøm (L416p Opglabbeek),
orgel:
ergəl (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek),
nen ERegel (L416p Opglabbeek),
érgel (L416p Opglabbeek)
|
Een nieuw orgel (in de kerk). [ZND 42 (1943)] || Een nieuw orgel. [ZND 42 (1943)] || Het orgel [het/de orgel, örgel, ölger, orjel?]. [N 96A (1989)] || orgel [GTRP (1980-1995)]
III-3-2, III-3-3
|
| 23005 |
orgel add. |
harmonium (<lat.):
harmüünejøm (L416p Opglabbeek)
|
Een nieuw orgel. [ZND 42 (1943)]
III-3-3
|
| 23571 |
orgel spelen |
orgel spelen:
ergelspiele (L416p Opglabbeek),
ərgəl spīlə (L416p Opglabbeek)
|
(op het) orgel spelen, het orgel bespelen. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23389 |
orgelpijpen |
orgelpijpen:
érgelpiepe (L416p Opglabbeek)
|
De pijpen van het orgel [örgelpiepe, orrejelspiefe?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 23572 |
orgeltrapper |
orgeltreder:
ərgəltrɛ̄jər (L416p Opglabbeek)
|
De orgeltrapper, orgeltreder, die al pompend of tredend de blaasbalg van het orgel met lucht vulde [örgeltrèèjer, balketrèëner, herrejotswinkmecher?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|