e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Opglabbeek

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
oude vrouw mo: iets platter  mo (Opglabbeek), oud wijfje: aud wiefke (Opglabbeek, ... ) benaming en aanspreking van een goedaardige en wat oudere vrouw || iemand van oudere leeftijd ( oude man, oude vrouw, oude van dagen) [N 102 (1998)] || oude vrouw [N 102 (1998)] III-2-2, III-3-1
oudejaarsavond oudejaarsavond: awwejôrs ôvend (Opglabbeek) De avond van 31 december, oudejaarsavond, Sint Silvesteravond [aldejaorsaovond]. [N 96C (1989)] III-3-2
ouden van dagen ouden: de auw (Opglabbeek) ouden van dagen [N 102 (1998)] III-3-1
ouders ouders: ajərs (Opglabbeek), auwer (Opglabbeek), znd 44, 27;  auwers (Opglabbeek) ouders [ZND 11 (1925)] || ouders; waar ligt het land van uw ouders? [ZND 44 (1946)] || één van de ouders III-2-2
oudste zoon oudste zoon: oudste zuun (Opglabbeek) oudste zoon [ZND 46 (1946)] III-2-2
ovenkelder ovenkelder: ű̄vǝkalǝ (Opglabbeek) De bergruimte onder de oven, soms benut om brandstof en/of as in op te bergen, maar ook vaak, vanwege de gunstige vocht- en warmtegesteldheid, om er aardappelen op te slaan. De benamingen wijken in dat laatste geval doorgaans niet af van die van de aardappelkelder die men in de schuur vindt en die zijn behandeld in het lemma "schuurkelder, aardappelkelder" (3.3.5). Krikken is gloeiende as; amer is houtskool, en schansen zijn takkenbossen. Vergelijk ook het lemma √∂nderoven", in Deel II, aflevering 1, blz. 73. [N 5A, 25c; N 5, 136; OB 2, 2f; monogr. add. uit N 29, 5 en 11d] I-6
ovenpaal ovenzwaalde: ȳvǝzwǫl (Opglabbeek), ovenzwoelde: hȳvǝzwōl (Opglabbeek), zwaalde: zwǭl (Opglabbeek), zwoelde: zwōl (Opglabbeek), zwouw: zwǭǝ (Opglabbeek) De ovenpaal is in de regel een ongeveer twee meter langer stok met een plat, rond, rechthoekig of tongvormig blad van hout of ijzer waarmee het in broodvorm opgemaakte deeg in de oven wordt geschoven. Meestal haalt men hiermee ook het gebakken brood uit de oven. Het blad loopt naar voren scherp toe om het inschieten van het brood te vergemakkelijken en vooral om bij het uittrekken de paal onder het brood te kunnen schuiven (Weyns blz. 34). Wat de woordtypen "rochelijzer", "haak", "schoffel" en mogelijk nog andere betreft moet men heel waarschijnlijk aan andersoortig gereedschap denken waarmee men toch het brood uit de oven kan halen. Zie afb. 22. [N 29, 45b; RND 57; L 40, 13a; A 44, 22; OB 2, 2d; OB 2, 2e; mat. S -daaronder valt wat A. Stevens in zijn artikel ''Zwaaide, een zuidoost-nederlandse dialektbenaming voor de broodschieter of ovenpaal'' noemt "mat. S, P, C en G"; monogr.] II-1
overall clown: klōn (Opglabbeek), clown (eng.): klōn (Opglabbeek) overall, werkpak uit één stuk [N 23 (1964)] || Uit één stuk vervaardigd werkpak dat de metselaar ter bescherming over zijn gewone kleding aantrekt. [N 30, 5c; monogr.] II-9, III-1-3
overdekte doorgang achter de dubbele toegangspoort overdak: īvǝrdāk (Opglabbeek) Achter de dubbele toegangspoort bevindt zich een ruimte, waarboven zich een dak of zolder bevindt. Deze ruimte geeft toegang tot een door woonhuis en bedrijfsgebouwen omgeven binnenplaats. Vergelijk ook afbeelding 6, gesloten hoeve. [N 5A, 77c; N 5, 110; div.; monogr.] I-6
overdragen over (de/haar) tijd: īǝvǝr tīt (Opglabbeek), uitdragen: uitdragen (Opglabbeek) Het overschrijden van de draagtijd, gezegd van de koe. [N 3A, 44] I-11