| 18061 |
stuipen |
kramp:
kràmpə (L416p Opglabbeek),
stuipen:
stiepen (L416p Opglabbeek),
stuiptrekkingen:
stūūptrəkkingə (L416p Opglabbeek)
|
stuipen: De stuipen hebben: een aanval van stuipen hebben (spinneweven, spinnevoeten, stuiptrekken, in de gaven liggen). [N 84 (1981)] || stuipen: De stuipen hebben: een aanval van stuipen hebben (stuipen, stuiptrekken, begaovings, spinneweven). [N 107 (2001)] || stuipen: Plotselinge spiersamentrekkingen, vaak samen met bewustloosheid; stuipen (stuipen, gaven, convulsies). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 25375 |
stuiptrekken |
de laatste stuipen trekken:
dǝ løtstǝ stīpǝ tręjkǝ (L416p Opglabbeek)
|
Als de slachter het dier geschoten en gestoken heeft, blijft het nog enige tijd spartelen ten gevolge van het onwillekeurig samentrekken der spieren. [N 28, 16; monogr.]
II-1
|
| 17642 |
stuitbeen |
kontenschenk:
kontəšeŋk (L416p Opglabbeek),
staartschenk:
startšeŋk (L416p Opglabbeek)
|
stuitbeen [gatschenk, stietje, startschroef] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 25198 |
stuiven van droog zand of stof |
mouwen:
muiwen
møͅywə (L416p Opglabbeek),
stoffen:
stoͅffən (L416p Opglabbeek),
stuiven:
stūvə (L416p Opglabbeek),
zevelen:
ziəvəlt (L416p Opglabbeek)
|
beginnen te stuiven (er waait droog en fijn zand rond bij winderig weer] [stieven, smoren, mouwen, stobberen, stubbelen] [N 22 (1963)] || stuiven [ZND 07 (1924)]
III-4-4
|
| 33643 |
stuk grond |
veld:
vęlt (L416p Opglabbeek)
|
Een stuk land, een perceel grond, in het algemeen. [N 27, 2a en 5; Vld.; N 11A, 106 add.; monogr.]
I-8
|
| 33712 |
stuk onontgonnen grond |
hei:
hęi̯ (L416p Opglabbeek)
|
Een stuk woeste grond, nog niet ontgonnen hei, veen of moeras. [N 27, 4a; N 11, 6; N 11A, 112; ALE 254]
I-8
|
| 34023 |
stuks -vee |
einden:
ęi̯ndǝr (L416p Opglabbeek)
|
Een boer heeft 10, 12, 14 enz. stuks vee. [N 3A, 2]
I-11
|
| 18929 |
stuntelen |
hampelen:
Waat zitste doa te hampele! Doog het dan toch op ein ander maneer
hampele (L416p Opglabbeek)
|
onhandig te werk gaan
III-1-4
|
| 21591 |
sturen |
sturen:
stērən (L416p Opglabbeek)
|
sturen [ZND m]
III-3-1
|
| 20847 |
suiker |
suiker:
als soornaam; Ze kwamen er op aaf wi-j de vlege op sòkker
sòkker (L416p Opglabbeek)
|
suiker
III-2-3
|