e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Opglabbeek

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
taart gteau (fr.): gatō (Opglabbeek) Taart (toert, gattoo?) [N 16 (1962)] III-2-3
tabak toebak: deͅt ez steͅrkən tybĕk (Opglabbeek), Det is mich nog gein pi-jp tûbik wèèrd: het is me niets waard  tûbik (Opglabbeek), Det is straffen tûbek: dat is nogal kras  tûbek (Opglabbeek) dat is sterke tabak [ZND 07 (1924)] || tabak III-2-3
tabak snuiven een snuifje pakken: snoͅfkə pakkə (Opglabbeek), snuiven: e.a. opgaven  snoͅffən (Opglabbeek) snuifje nemen [ZND 07 (1924)] || tabak snuiven [ZND 07 (1924)] III-2-3
tabakspruim pruimpje: pruimke (Opglabbeek), pruumkə (Opglabbeek), rolletje: rolke (Opglabbeek), In grootvaders tijd  rölke (Opglabbeek), sjiek: sik (Opglabbeek), Fr. chique  sjiek (Opglabbeek) een propje pruimtabak || prop pruimtabak || pruimtabak; Hoe noemt U: Een pluk tabak, om op te kauwen of op te zuigen (chique, sik, sjik, pruim, karot, keesje, rol) [N 80 (1980)] III-2-3
tabakssap reddeld: reddelt (Opglabbeek), rèddəlt (Opglabbeek), zever: zèjver (Opglabbeek) Hoe noemt U: Vuil water in een pijp (smierk, nerrik) [N 80 (1980)] III-2-3
tabernakel tabernakel (<lat.): tabernakel (Opglabbeek) Het tabernakel, het rijkversierd kastje (op het hoofdaltaar of op het sacra-mentsaltaar), waarin het Allerheiligste bewaard wordt. [N 96A (1989)] III-3-3
tafel tafel: tōͅfəl (Opglabbeek), to͂ͅfəl (Opglabbeek), Wèè binne het joar eine toafelpuut tösse dew bein hèèt, is ofwaal getruidsj, ofwaal wevenèèr Ein gooj toafel: waar goed gegeten wordt Eme(s) ònder de toafel drinke  toafel (Opglabbeek) de tafel afvagen [ZND 32 (1939)] || tafel III-2-1
tafelmes tafelmes: tōͅfəlmeͅs (Opglabbeek), o.  tōͅfəlmɛs (Opglabbeek) mes dat men aan tafel gebruikt [N 20 (zj)] III-2-1
taillewijdte lendenomtrek: lendenomtrek (Opglabbeek) De maat gemeten horizontaal om het lichaam in de holte van de taille met (voor heren) twee vingers tussen het lichaam en de centimeter. Zie afb. 27. [N 59, 44c; N 62, 2b] II-7
tak op ingezaaid land rijs: ris (Opglabbeek) De tak, stok of bundel stro die men op de pas ingezaaide akkers plaatste om aan te geven dat deze niet betreden mochten worden door jagers en anderen. Voor streep, zie WNT s.v. in de betekenis "grensteken". [N M, 26; monogr.] I-4