e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Opglabbeek

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
tak van een geslacht familie: fəmeelīē (Opglabbeek) de tak van een geslacht [natie, familie] [N 87 (1981)] III-2-2
takken (coll.) kop: kop (Opglabbeek) takken, coll. [ZND 35 (1941)] III-4-3
takken krijgen scheut (mv.) krijgen: WBD/WLD  sjíet (Opglabbeek) Takken krijgen, gezegd van een boom (takken). [N 82 (1981)] III-4-3
takkenbos, bussel hout mutterd: metterd (Opglabbeek) takkenbos, bussel takken en twijgen [N 27 (1965)] I-7
tand tand: tant (Opglabbeek) een tand [ZND A1 (1940sq)] III-1-1
tand, tanden tand(en): ta.nt (Opglabbeek  [(mv tan)]  ) Achter het codenummer van de plaats is de meervoudsvorm vermeld. Voor een aantal plaatsen beschikken wij evenwel alleen over de enkel- of meervoudsvorm; deze laatste citeren wij als eerste. [JG 1a, 1b; N 8, 17] I-9
tanden tanden (mv.): laŋ tan (Opglabbeek) lange tanden [ZND 07 (1924)] III-1-1
tanden poetsen tanden poetsen: pŭŭts ich min tan (Opglabbeek) Elke avond poets ik mijn tanden. [DC 64 (1989)] III-1-3
tanden van de hooihark tanden: tan (Opglabbeek) De houten pennen die aan beide zijden uit de dwarsbalk van de hooihark steken; zie afbeelding 11, d. Alle opgaven zijn in het meervoud. [N 18, 92d] I-3
tanden van een riek tanden: tan (Opglabbeek) Van de opgesomde termen zijn de niet-samengestelde meestal ook toepasselijk op de tanden van de mesthaak en van de hooivork. Voor het aantal tanden dat een riek kan hebben, zie men het vorige lemma. [N 11A, 13b + 17b; div.; monogr.] I-1