| 20476 |
tak van een geslacht |
familie:
fəmeelīē (L416p Opglabbeek)
|
de tak van een geslacht [natie, familie] [N 87 (1981)]
III-2-2
|
| 24727 |
takken (coll.) |
kop:
kop (L416p Opglabbeek)
|
takken, coll. [ZND 35 (1941)]
III-4-3
|
| 24707 |
takken krijgen |
scheut (mv.) krijgen:
WBD/WLD
sjíet (L416p Opglabbeek)
|
Takken krijgen, gezegd van een boom (takken). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 33632 |
takkenbos, bussel hout |
mutterd:
metterd (L416p Opglabbeek)
|
takkenbos, bussel takken en twijgen [N 27 (1965)]
I-7
|
| 17760 |
tand |
tand:
tant (L416p Opglabbeek)
|
een tand [ZND A1 (1940sq)]
III-1-1
|
| 33777 |
tand, tanden |
tand(en):
ta.nt (L416p Opglabbeek
[(mv tan)]
)
|
Achter het codenummer van de plaats is de meervoudsvorm vermeld. Voor een aantal plaatsen beschikken wij evenwel alleen over de enkel- of meervoudsvorm; deze laatste citeren wij als eerste. [JG 1a, 1b; N 8, 17]
I-9
|
| 17761 |
tanden |
tanden (mv.):
laŋ tan (L416p Opglabbeek)
|
lange tanden [ZND 07 (1924)]
III-1-1
|
| 18731 |
tanden poetsen |
tanden poetsen:
pŭŭts ich min tan (L416p Opglabbeek)
|
Elke avond poets ik mijn tanden. [DC 64 (1989)]
III-1-3
|
| 32914 |
tanden van de hooihark |
tanden:
tan (L416p Opglabbeek)
|
De houten pennen die aan beide zijden uit de dwarsbalk van de hooihark steken; zie afbeelding 11, d. Alle opgaven zijn in het meervoud. [N 18, 92d]
I-3
|
| 32584 |
tanden van een riek |
tanden:
tan (L416p Opglabbeek)
|
Van de opgesomde termen zijn de niet-samengestelde meestal ook toepasselijk op de tanden van de mesthaak en van de hooivork. Voor het aantal tanden dat een riek kan hebben, zie men het vorige lemma. [N 11A, 13b + 17b; div.; monogr.]
I-1
|