| 34633 |
te licht in de rug |
te licht op de rug:
tǝ lext ǫpǝ ręq (L416p Opglabbeek)
|
Als men teveel achteraan in de kar laadt, kan het paard de kar moeilijker trekken, omdat door het gewicht van de lading de bruikriem omhoogdrukt. Hierdoor kan de kar de neiging hebben om te wippen (zie ook voor het lemma de kar wipt. [N 17, 96 + 99]
I-13
|
| 25442 |
te snel verwerkt |
niet opstijven:
(het vlees) stīft nēt ǫp (L416p Opglabbeek)
|
Het slachtvee moet, nadat het is gedood en uitgeslacht, een poos besterven. Pas als het vlees door en door koud is geworden kan het verwerkt worden. Doet men dit eerder, dan is de smaak van het vlees minder en bederft het veel sneller. Bovendien laat niet afgekoeld vlees zich veel moeilijker snijden dan koud vlees, dat immers steviger is. [N 28, 96; monogr.]
II-1
|
| 28532 |
te veel zwermen |
eigen doodzwermen:
eigen doodzwermen (L416p Opglabbeek)
|
Het te veel zwermen van een volk. Wanneer een volk te veel zwermt, verzwakt het. Elke zwerm is een splitsing en daardoor een verzwakking van het moedervolk. Wanneer een volk zo sterk achteruitgaat in bijental, dat het zich niet meer kan handhaven, heeft het zich doodgezwermd. [N 63, 39d]
II-6
|
| 29095 |
te wijd |
te royaal:
tǝ rǝjāl (L416p Opglabbeek)
|
Te ruim, gezegd van een kledingstuk of kledingstukonderdeel. [N 59, 130a; N 62, 26c; MW]
II-7
|
| 34634 |
te zwaar in de rug |
te zwaar in de rug:
tǝ zwār en dǝ ręx (L416p Opglabbeek)
|
Als men teveel vooraan in de kar laadt, kan het paard de kar moeilijker trekken, omdat door het gewicht van de lading de draagriem op de rug van het paard drukt, waardoor het paard snel vermoeid raakt. [N 17, 96 + 99]
I-13
|
| 17715 |
teelballen |
kloten:
kluutə (L416p Opglabbeek),
klūūtə (L416p Opglabbeek),
B.v. luip nao de kluute.
kluutə (L416p Opglabbeek)
|
[N 10c (1995)]geslachtsdelen in het algemeen [N 10c (1995)] || mannelijke geslachtsorgaan [gemach, gemaacht] [N 10c (1995)]
III-1-1
|
| 33791 |
teellid |
paardslul:
pē̜.rsløl (L416p Opglabbeek),
schacht:
šaxt (L416p Opglabbeek)
|
Penis of roede. [JG 1a, 1b; N 8, 36, 37a en 37b]
I-9
|
| 17680 |
teen |
teen:
tīn (L416p Opglabbeek),
tīən (L416p Opglabbeek)
|
een teen [ZND A2 (1940sq)] || teen [N 10b (1961)]
III-1-1
|
| 33835 |
teentreder |
trippelaar:
trīǝpǝlɛ̄r (L416p Opglabbeek)
|
Paard met naar binnen gedraaide hoeven, waarvan het het voorste deel eerst op de grond zet, omdat een achterpees lam is; daardoor heeft het geen vlotte gang. [N 8, 84b]
I-9
|
| 33850 |
tegelijkertijd galopperen en draven |
kletteren:
klɛtǝrǝ (L416p Opglabbeek)
|
Gelijktijdig galopperen en draven, bijv. met de voorpoten galopperen en met de achterbenen draven, ofwel afwisselend draven en galopperen. De correspondenten kennen hiervoor weinig specifieke woorden: enkel fetteren en springen. Er komen wel een aantal klanknabootsende woorden voor in de betekenis "snel, wild lopen". [N 8, 20, 81c en 81e]
I-9
|