| 19781 |
thuis |
thuis:
Samen ût en same thûs Ze is van alle merkte thûs: ze is doorgewinterd of doortrapt Geine thûs miêr höbbe: verlaten en verweesd achterblijven
thûs (L416p Opglabbeek)
|
thuis
III-2-1
|
| 21540 |
tien centiem |
knab:
nə knabe (L416p Opglabbeek),
vijf cent:
viēf cent (L416p Opglabbeek)
|
Bestaat er een dialectnaam voor een stuk van 10 centimes? [ZND 28 (1938)]
III-3-1
|
| 21611 |
tien-guldenstuk |
stuk van tien gulden:
steͅk van tīən gølə (L416p Opglabbeek)
|
tien-guldenstuk, een ~ [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 21379 |
tiend |
tiende:
ps. omgespeld volgens Frings.
tiəndə (L416p Opglabbeek)
|
tiende: Datgene wat, in natura of geld, aan de belasting moet worden afgestaan van de opbrengst van het land [de tiend?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 23726 |
tientje van de rozenkrans |
tientje:
tientje (L416p Opglabbeek),
tientjes (L416p Opglabbeek)
|
Een tientje van de Rozenkrans [n jezets?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 22230 |
tijdverdrijf |
tijdverdrijf:
tiedverdrief (L416p Opglabbeek),
verzet:
verzet (L416p Opglabbeek)
|
Duivenhouden is een ... (iets dat gedaan wordt om de tijd te korten). [ZND 28 (1938)]
III-3-2
|
| 27253 |
timmerman |
schrijnwerker:
šrīnwę ̝rkǝr (L416p Opglabbeek)
|
Ambachtsman die het timmeren als beroep uitoefent. Tot zijn werkzaamheden behoren het vervaardigen van dakconstructies en balklagen in huizen en het maken van trappen, kozijnen, ramen en deuren. Als aanduiding voor de vakman wordt zowel de benaming timmerman als schrijn(en)werker gebruikt. Schrijnwerker is meer verspreid in Belgisch Limburg, schrijnenwerker in het zuiden van Nederlands Limburg. Wanneer er een onderscheid tussen timmerman en schrijn(en)werker wordt gemaakt, dan duidt de eerste term eerder een vakman aan die timmerwerk in de bouw verricht. Dit is onder meer het geval in Ottersum (L 163), Posterholt (L 387), Geulle (Q 18) en Bilzen (Q 83). De schrijnwerker richt zich dan vooral op het maken van trappen, deuren en ramen. Het woordtype schrijner, dat in het zuidoostelijke deel van het gebied gebruikelijk is, is een algemene benaming voor de timmerman. De vakman die timmerwerk op de bouw verricht, wordt daar ɛbouwschrijnerɛ genoemd.' [N 55, 164a; N 55, 165; RND 6; L 34, 19a; L B1, 115; monogr.]
II-12
|
| 24254 |
tjiftjaf |
ovenmetsertje:
huvemetserke (L416p Opglabbeek)
|
tjiftjaf
III-4-1
|
| 25228 |
tocht, zuiging van lucht |
het trekt:
trèkt (L416p Opglabbeek),
trek:
treͅk (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek),
trèk (L416p Opglabbeek)
|
tocht [ZND 13 (1925)], [ZND m] || tocht, vrij sterke zuiging van de lucht door een beperkte ruimte heen [scheut, trek, zicht, jacht, trok] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 24255 |
tochtig |
rits:
rē̜.ts (L416p Opglabbeek),
rē̜i̯ts (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek),
rē̜ts (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek),
tochtig:
textex (L416p Opglabbeek),
tø̜xtex (L416p Opglabbeek),
willig:
welex (L416p Opglabbeek)
|
Geslachtsdrift vertonend, gezegd van de geit. [N 19, 70b; N 77, 95; JG 1b; N C, 4c; S 52, L 378 add.; monogr.] || Geslachtsdrift vertonend, gezegd van de koe. [N 3A, 29; N C, 4a; JG 1a, 1b; Gwn V, 3; monogr.; add. uit N 3A, 21; N 3A, 9b] || Geslachtsdrift vertonend, gezegd van het vrouwelijk schaap. [N 19, 70a; N C, 4b; JG 1a, 1b, 1c, 2c; monogr.]
I-11, I-12
|