| 17898 |
trekken |
trekken:
trekkən (L416p Opglabbeek),
tRekə (L416p Opglabbeek)
|
trekken [ZND A1 (1940sq)] || wij trekken [ZND 08 (1925)]
III-1-2
|
| 21580 |
trekken en talmen |
tengelen:
vgl. WBD III, 3.1 (pag. 59): tengelen: Retie.
teͅŋələ (L416p Opglabbeek)
|
Trekken en talmen bij de verkoop, n.l. om zoveel mogelijk geld te krijgen [mulken?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 33195 |
trekker van de aanaardhandploeg |
kruk:
kręk (L416p Opglabbeek),
trekker:
trękǝr (L416p Opglabbeek)
|
Het dwarse handvatvan de aanaardhandploeg. Voor sjoek- naast trek-handvat zie aflevering I.1, blz. 12: schokkelen, schoggelen voor "schudden". [N 18, 46b]
I-5
|
| 34589 |
trekschei |
hachtschei:
haxtšęi̯ (L416p Opglabbeek)
|
De eerste van de verbindingscheien tussen de berries. Aan de uitstekende delen schei werden vaak de trekkettingen of de strengen vastgemaakt met behulp van platte, gebogen ijzers. Zie ook het lemma uitstekende delen van de trekschei en in WLD I.10, het lemma strengen. Zowel het feit dat er opgaven in het meervoud voorkomen als de opmerking van de correspondent uit Q 111 wijzen erop dat ook de tweede schei als trekschei gebruikt wordt: "het vastmaken van de strengen is hier gebruikelijk aan het tweede balkje indien licht geladen, anders aan het eerste balkje". Opmerking bij de kaart: er zijn vier benamingen die op het eerste zicht samenstellingen zijn van de plaatselijke benaming voor "streng" (hacht, kling, klink en trek). De verspreiding van "trekschei" stemt echter hoegenaamd niet overeen met de verspreiding van trek voor "streng", wat doet besluiten dat het hier om een samenstelling met een deverbativum van het werkwoord trekken gaat (vgl. hiervoor kaart 16 van wld I.10). [N 17, 25a; N G, 58b; JG 1a; JG 1b]
I-13
|
| 33304 |
trekschoffel |
schoffeltje:
šofǝlkǝ (L416p Opglabbeek),
trekschoffel:
tręk[schoffel] (L416p Opglabbeek)
|
Op een hark gelijkend gereedschap, dat, in tegenstelling tot de duwschoffel, getrokken wordt. Er kunnen één of meerdere schoffelijzers aan de steel zitten. Het wordt gebruikt om onkruid te wieden of om de grond los te maken. Het is een kleine uitvoering van de hak voor lichter en fijner werk. Voor de fonetische documentatie van het woord(deel) schoffel zie het lemma Schoffel. [N 18, 49 en 51; monogr.]
I-5
|
| 32832 |
trektrouw, trekstok aan de handrol |
stek:
stɛk (L416p Opglabbeek)
|
De oude handrol werd voortgetrokken aan een touw, dat op twee plaatsen aan het raam werd vastgemaakt; om gemakkelijker te kunnen trekken knoopte men het touw van voren aan een trekknuppel vast. De latere handrol is voorzien van een met het raam verbonden vaste trekstok of -stang, die van voren een dwarshout, kruk of handgreep heeft. [JG 1a; N 11A, 186b]
I-2
|
| 31700 |
trekzaag, boomzaag |
boomzeeg:
bø̜jmzē̜x (L416p Opglabbeek),
kortzeeg:
kǫrt˲zē̜x (L416p Opglabbeek)
|
Zaag met een blad van 1.5 tot 2 meter lengte. De twee handvatten van de zaag liggen in het verlengde van het zaagblad en steken daar 30 à 40 cm boven uit. De trekzaag dient om bomen en ruw hout door te zagen. Ze wordt bediend door twee personen. Zie ook afb. 2. De trekzaag wordt behalve door de houtzager ook door andere houtbewerkende beroepen gebruikt. De kuiper zaagt er stukken boomstam mee die ongeveer de lengte van een duig hebben en de klompenmaker de zgn. bollen, stukken boomstam in de lengte van een klomp. [N E, 7; N 18, 128; N 47, 14; N 50, 11a + 17a; N 75, 116a; L 36, 49; Bakeman 8; monogr.]
II-12
|
| 18822 |
treuren |
treuren:
het zeek hinneke zaat den hiêlen daag te trere
trere (L416p Opglabbeek)
|
treuren
III-1-4
|
| 19362 |
treuzelaar |
drensbeugel:
Zuidste neet lestig wèren op zuu einen dreibi-jgel syn dreiskluut
dreisbi-jgel (L416p Opglabbeek),
treuzel:
is mich det vruiwke toch en triêzel, ze kimt mè neet viêrût möt hèèr werk Af. triêzelechtig reg.ww.triêzele
triêzel (L416p Opglabbeek),
treuzelaar:
wāt nən trēzəlɛ̄r (L416p Opglabbeek)
|
treuzelaar || treuzelaarster || Wat een treuzelaar! [ZND 08 (1925)]
III-1-4
|
| 18934 |
treuzelen |
chipoteren (<fr.):
Fr. chipoter
sjippetère (L416p Opglabbeek),
hoetelen:
huitele (L416p Opglabbeek),
klungelen:
es vèè op sjoal straf gekriêge hauwe, klòngelde vèè ônderwêge viêr mè zuu laat miêgelik heivers te kòmme
klòngele (L416p Opglabbeek),
treuzelen:
hɛ̄ zet dao tə trēzələn (L416p Opglabbeek),
trēzələ (L416p Opglabbeek)
|
Hij zit daar te treuzelen (talmen, zeer langzaam handelen). [ZND 08 (1925)] || hoestelen, treuzelen || rondhangen, treuzelen || talmen met werken, wauwelen, afdingen || wat zegt ge van iem. die zeer langzaam werkt ? Hij zit daar te ... (sammelen, teuten, nisselen, enz.) [ZND 42 (1943)]
III-1-4
|