| 19772 |
tuin |
hof:
hūəf (L416p Opglabbeek)
|
hof [ZND 01 (1922)]
III-2-1
|
| 33506 |
tuinbonen |
bonen:
WBD/WLD
būūn (L416p Opglabbeek),
labbonen:
WBD/WLD
làbbūūn (L416p Opglabbeek),
paardsbonen:
pèèrsbuun (L416p Opglabbeek)
|
Een jonge tuinboon die men met schil en al eet (wilde wan, wollenwantje, pulleke, spekboon, sluimererwt). [N 82 (1981)] || Een tuinboon, een grote soort boon labboon, paardsboon, boerenteen, molleboon, mokboon, wul, zwartvoet, huisboon, moffelboon, duiveboon, flodderboon, moffel, moffeboon, knauwboon, willeboon, paardeboon, jodenboon, roomse boon). [N 82 (1981)] || veldboon
I-7
|
| 30191 |
tuinen |
oplappen:
oplapǝ (L416p Opglabbeek)
|
Vlecht- en pleisterwerk herstellen of vernieuwen. Het lemma bevat algemene benamingen voor het herstelwerk aan vakwerk, maar ook termen die specifiek het repareren van het pleisterwerk ('bijplekken', 'bijklenen', 'plaasteren', etc.) of het aanbrengen van nieuw vlechtwerk ('hervitsen', 'opnieuw vitsen', etc.) aanduiden. Het woordtype 'tuinen' is ook in L 332, Q 28 en Q 98 bekend. Het wordt daar echter uitsluitend gebruikt voor het dichten van hagen of het afrasteren van weilanden. [N 4A, 53i]
II-9
|
| 24258 |
tuinfluiter |
heggenschijter:
heͅgəšitər (L416p Opglabbeek)
|
tuinfluiter (16 donkerder dan grasmus [045]; niet zo talrijk; in bosstruiken; nest graag in braamstruiken; roep hard [tek]; zang is lang, vrij laag en brobbelend [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 33593 |
tuinkers |
hofkers:
WBD/WLD
huffkàrs (L416p Opglabbeek),
kers:
WBD/WLD
kòrs (L416p Opglabbeek)
|
Tuinkers; de plant heeft duidelijk witte of roodachtige bloempjes in een smalle tros en schuinopstaande vruchtjes die ongeveer een halve cm lang zijn, de bladerenzijn zeer fijn verdeeld, de stengel en kalkrijke vruchten zijn blauw berijpt (kers, tuinkers, [N 82 (1981)]
I-7
|
| 33542 |
tuinkervel |
kervel:
kervel (L416p Opglabbeek),
keͅ.rvəl (L416p Opglabbeek),
WBD/WLD
kervəl (L416p Opglabbeek)
|
[Goossens 1b (1960)]kervel [ZND 01 (1922)] || Tuinkervel; een één of tweejarig kruid, 30-60 cm hoog, met witte bloemen; de bladeren worden gebruikt in soep, sausen en salade (kervel, gervel, kelver, scharnpiep). [N 82 (1981)]
I-7
|
| 33615 |
tuinman, boomkweker |
boomkweker:
JK Begrip te splitsen? veel samenstellingen met boom- uit RND zijn geconstrueerd; de andere hebben de ruimere betekenis van tuinman.
boͅu̯mkwekər (L416p Opglabbeek)
|
[RND 08]
I-7
|
| 30188 |
tuinmuur |
leemmuur:
lęjmmōr (L416p Opglabbeek)
|
Uit horizontale en verticale balken samengestelde wand die is opgevuld met vlechtwerk en vervolgens is afgesmeerd met leemspecie. In plaats van vlechtwerk kunnen ook bakstenen worden gebruikt. [S 42; N 4A, 53f; N F, 56b; N 31, 45a; monogr.; N 4A, 52f; N 4A, 52d]
II-9
|
| 19512 |
tuit |
tuitel:
tēͅi̯təl (L416p Opglabbeek),
tɛi̯təl (L416p Opglabbeek)
|
tuit van de waterketel van koper of ijzer en met hengsel en tuit [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 20746 |
tulband |
brioche (fr.):
briosj (L416p Opglabbeek)
|
tulbandkoek
III-2-3
|