| 25971 |
turbinemolen |
turbinemolen:
tø̜rbinmīǝ.lǝ (L416p Opglabbeek)
|
Molen waarvan het molenrad hetzij in het molengebouw zelf, hetzij in een ijzeren of betonnen constructie in de beek horizontaal geheel onder water ligt. Zie ook afb. 11. Het molenrad wordt in gang gezet door er water op te laten stromen, hetgeen bij het eerste type gebeurt door een voor een gat in de muur van het gebouw geplaatste sluis open te trekken. Bij het tweede type is de betonnen of ijzeren constructie voorzien van schoepen die als jalouzieën werken. De molenaar kan ze meer of minder openen, dus meer of minder water binnenlaten, en zo het rad sneller of langzamer laten draaien (Coenen, pag. 20). [Jan 5; Coe 5; Grof 16]
II-3
|
| 24259 |
tureluur |
kluut:
klīt (L416p Opglabbeek)
|
tureluur (28 minder algemeen dan grutto [111]; lijkt wel een kleine bruine uitgave ervan met rode pootjes en snavel; roep [tuu-tu-tu] en [teluuje, teluuje] [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 19466 |
turf |
vlikken:
(van turf alleen)
vlikke (L416p Opglabbeek)
|
(Langwerpig) stuk brandstof, geperst uit steenkool- of bruinkoolgruis, fijngemaakte turf of houtskool met water en leem vermengd (briket, kluit, slof) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 26749 |
turfbijl |
turfbijl:
tørǝfbīl (L416p Opglabbeek)
|
Bijl waarmee men veenpuisten doorhakt. Ze wordt ook wel eens gebruikt om turven uit de turfgrond te slaan. Uit N 18, 45 zijn alleen die opgaven verwerkt die op het loshakken van turf of zoden slaan of op turf betrekking hebben. [I, 23; N 18, 45]
II-4
|
| 28811 |
turks leer |
turks leer:
tørks lē̜r (L416p Opglabbeek)
|
Turks leer is volgens Van Dale (pag. 3008) ø̄marokijnø̄ dat een fijne soort van korrelig leer (oorspronkelijk geiteleer uit Marokko) is. In vraag N 62, 95 werd gevraagd of men de naam ø̄Turks leerø̄ kende en welke stof ermee werd bedoeld. Uit de antwoorden blijkt dat men er een zwarte matblinkende stof met grijze strepen mee bedoelde (Q 78) of een zeer vast geweven soort katoenen ribfluweel (Q 11). In elk geval gaat het om een stugge, sterke stof die praktisch onverslijtbaar is. [N 62, 95; N 62, 89b; N 59, 201]
II-7
|
| 28940 |
tussenbeenlengte - bij broeken |
schredelengte:
šretlęŋtǝ (L416p Opglabbeek)
|
Maat genomen van het kruis tot de grond. Zie afb. 29. [N 59, 47b]
II-7
|
| 34204 |
tussenklauwontsteking |
gebarsten klauw:
gǝbǫrstǝ klǫu̯w (L416p Opglabbeek),
scheurklauw:
sxīrklaw (L416p Opglabbeek)
|
Door het binnendringen van scherpe voorwerpen zoals spijkers, stenen of strohalmen tussen de klauwen van een koe kunnen kleine wondjes ontstaan. Door infectie kan een pijnlijke zwelling ontstaan, waardoor de klauwen van elkaar kunnen worden gewrongen. Tussenklauwontsteking is vaak een naziekte van mond- en klauwzeer. Zie ook het lemma ''tussenklauwontsteking'' in wbd I.3, blz. 482-483. [N 3A, 81; N 52, 10; A 48A, 14]
I-11
|
| 28518 |
tuter |
tuiter:
(mv)
tø̜jtǝrs (L416p Opglabbeek)
|
Koningin die pas de moercel verlaten heeft en tutend antwoordt op het gekwaak van de koninginnelarven die nog in de dichte moercel zitten. [N 63, 33b; N 63, 32a]
II-6
|
| 21618 |
twee centiem |
cent:
ps. omgespeld volgens Frings.
seͅnt (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek)
|
koperen munt van 2 centiem [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 21626 |
twee frank |
dobbele, een ~:
ps. omgespeld volgens Frings.
doͅbələ (L416p Opglabbeek)
|
2 franc, een ~ (van zilver) [N 21 (1963)]
III-3-1
|