| 33597 |
ui, ajuin |
ajuin:
ajyn (L416p Opglabbeek),
en:
in (L416p Opglabbeek),
indj:
iêndsj (L416p Opglabbeek),
unne:
enə (L416p Opglabbeek),
innen (L416p Opglabbeek)
|
ajuin [ZND 01 (1922)] || ajuin (sg) [Goossens 1b (1960)], [Goossens 2b (1963)] || ui
I-7
|
| 20758 |
uienpannenkoek |
koek:
kōk (L416p Opglabbeek)
|
Pannekoek met in schijven gesneden uien (oojekook?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 33788 |
uier |
uier:
ei̯ǝr (L416p Opglabbeek),
i ̞i̯ǝr (L416p Opglabbeek),
ii̯ǝr (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek),
īi̯ǝr (L416p Opglabbeek),
īǝr (L416p Opglabbeek),
īǝrǝ (L416p Opglabbeek)
|
[JG, 1b; A 30, 6e; L 49, 6e; N 8, 39a en 39b]De melkklier van de koe zoals zij zich uitwendig vertoont onder aan de buik. Op de kaart is het woordtype uier niet opgenomen. [JG 1a, 1b; Gwn V, 7; L 8, 24a; L 14, 27a; RND 127; S 38; Wi 51; monogr.] || Uier, alle tepels samen. [N 19, 19b; JG 1a, 1b]
I-11, I-12, I-9
|
| 24260 |
uil |
bosuil:
bosiel (L416p Opglabbeek),
uil:
i-jl (L416p Opglabbeek),
īl (L416p Opglabbeek)
|
bosuil || uil [ZND A2 (1940sq)]
III-4-1
|
| 19652 |
uit de as gezeefde kolen |
oudding:
Oud ding.
aut deͅnk (L416p Opglabbeek)
|
Hoe heet het overblijfsel van verbrande kolen dat nog eens kan branden ? [ZND 42 (1943)]
III-2-1
|
| 28621 |
uit de rij zetten |
uit de rij zetten:
ēt ˲dǝ ri zętǝ (L416p Opglabbeek)
|
De korven een meter voor de stal zetten. Door de korven uit de rij te zetten kan men het zwermen van zwermachtige volken ook verhinderen. De meeste vliegbijen komen bij de zwakkere buren terecht. Hierdoor moeten de zwermzuchtige bijen eerst nieuwe vliegbijen zien te krijgen om weer te kunnen zwermen. Vergelijk het lemma Koud Zetten. [N 63, 96a; monogr.]
II-6
|
| 32722 |
uit de voor schieten |
schampen:
ša.mpǝ (L416p Opglabbeek),
uitvliegen:
ū.t.vlē.gǝ (L416p Opglabbeek)
|
Als men bij het ploegen op een hard voorwerp (b.v. een steen) stoot, of als men met name bij een voetploeg de staart niet vast of niet goed recht houdt, kan de ploeg uit de voor schieten: het ploeglichaam belandt dan in de vorige voor. [JG 1a;N 11A, 124b]
I-1
|
| 19028 |
uitbrander |
rappelement:
reblement (L416p Opglabbeek)
|
hoe zeg je: een vermaning, een berisping krijgen (woord op -ment) ? [ZND 41 (1943)]
III-1-4
|
| 18805 |
uitdenken |
prakkedenken:
prakkedènke (L416p Opglabbeek)
|
een enigzins grappige contaminatie: prakkezère en dènke: nadenken
III-1-4
|
| 32709 |
uiteenploegen |
vaneenaf ploegen:
van`ęi̯.nãf [ploegen] (L416p Opglabbeek),
vaneenploegen:
vanęi̯.n[ploegen] (L416p Opglabbeek),
vaneenvaren:
vanęi̯.nvã.rǝ (L416p Opglabbeek)
|
Manier van ploegen (met een "enkele" ploeg), waarbij de voren in de richting van de zijkanten van de akker worden omgekeerd. Nadat men aan een van beide zijden de eerste voor heeft geploegd, laat men de ploeg slepend over de wendakker gaan naar de andere zijde, om daar de tweede voor te ploegen. Via de andere wendakker verplaatst men zich weer naar de overzijde. Achtereenvolgens ploegt men nu de 3e voor tegen de Ie, de 4e tegen de 2e, enz. Terwijl de sleepweg van de ploeg over de wendakkers steeds korter wordt, komen de beide voren dichter bij elkaar te liggen, totdat zij midden op de akker bij elkaar komen en daar een greppel of laagte vormen. Voor de termen aanschieten op de reen en op de reen beginnen zie men ook het lemma de eerste voor ploegen, onder C. [N 11, 48; N 11A, 121a; JG 1a + 1b; A 33, 1a + b; monogr.]
I-1
|