| 22773 |
uitmaken wie mag beginnen |
loten:
vai zulle iers luuyte (L416p Opglabbeek),
opgooien:
vèè zelən ṇerst pgoejen (L416p Opglabbeek),
uitkappen:
Knikkers.
ve zillen iers uut kappe (L416p Opglabbeek)
|
Hoe zeggen de kinderen, wanneer ze eerst willen zien wie mag beginnen, b.v. bij het knikkerspel? Vertaal dus en vul aan: We zullen eerst ... [ZND 26 (1937)]
III-3-2
|
| 18311 |
uitneembaar frontje |
gimp:
gēͅm (L416p Opglabbeek)
|
frontje, uitneembaar ~ in de hals van een jurk [vestje, plastron] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 21452 |
uitnodigen |
noden:
nĭĕjə (L416p Opglabbeek),
verzoeken:
verzeeke (L416p Opglabbeek),
verzeeken (L416p Opglabbeek)
|
iemand verzoeken bij iemand op bezoek te komen, een feest bij te wonen etc. [verzoeken, noden, bidden, uitnoden, kwelen] [N 87 (1981)] || uitnodigen (voor begrafenis) [ZND 32 (1939)]
III-3-1
|
| 18108 |
uitslag onder de neus |
uitslag:
uutslaag (L416p Opglabbeek)
|
Uitslag, zweren onder de neus (futsel, logistgast, uitslag, zweren). [N 107 (2001)]
III-1-2
|
| 34349 |
uitslag vertonend |
brandig:
bręnǝx (L416p Opglabbeek)
|
Gezegd van een varken dat lijdt aan de vlekziekte. [N 19, 27b]
I-12
|
| 32416 |
uitspannen |
uitspannen:
ȳtspanǝ (L416p Opglabbeek
[(met Á als eindprodukt van Opglabbeekse medialisering)]
)
|
Het paard losmaken van de kar of het werktuig waarin of waaraan het gespannen is. Bij het uitspannen uit een kar met berries worden de draagriem, de brede buikriem en de strengen losgemaakt. Vervolgens wordt het paard naar de stal geleid. [JG 1b, 2c; N 8, 98b; monogr.]
I-10
|
| 23660 |
uitstalling van het allerheiligste |
allerheiligste:
allerheiligste (L416p Opglabbeek)
|
Uitstalling, uitstelling van het Allerheiligste [oessjtellóng van t allerhillieg-ste?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 29925 |
uitvoerder |
baas:
bās (L416p Opglabbeek),
chef:
chef (L416p Opglabbeek)
|
Persoon die in dienst van een aannemer of ambachtsman de leiding heeft over de uitvoering van een werk. [N 30, 3d; N 30, 3e; monogr.]
II-9
|
| 17705 |
uitwerpselen |
piel:
Van jonge kinderen +/- 3 jaar.
piel (L416p Opglabbeek),
stront:
strŏĕnt (L416p Opglabbeek)
|
uitwerpselen [N 10c (1995)]
III-1-1
|
| 34144 |
uitwerpselen van koeien |
koestront:
kystrunt (L416p Opglabbeek)
|
[N M, 8a; A 9, 24a; JG 1a, 1b; N 11A, 40a; monogr.; add. uit N 5A (I]
I-11
|