| 22332 |
valsspeler |
foetelaar:
fy(3)̄təlēͅr (L416p Opglabbeek)
|
Iemand die altijd vals speelt [aarzak, haarzak, aaszak]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 23907 |
van de duivel bezeten |
van de duivel bezeten:
van də dievəl bəzéétə zeen (L416p Opglabbeek)
|
Van de duivel bezeten [mit der duvel bezaese]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 34497 |
van de leg afraken |
droog staan:
drīx stǭn (L416p Opglabbeek),
uitgelegd (volt. deelw.):
ȳtxǝlaxt (L416p Opglabbeek)
|
[N 19, 50b; N 19, Q 111 add.; monogr.]
I-12
|
| 20474 |
van hoge afkomst |
van hoge afkomst:
van heuge aafkoemst (L416p Opglabbeek),
van hŏĕge aafkoomst (L416p Opglabbeek),
van rijke typen:
van rīēkə tĭĕppə (L416p Opglabbeek)
|
van hoge afkomst; hij is - - - [ZND 19 (1936)] || van hoge afkomst; hij is - - -van goei mensen [ZND 19 (1936)]
III-2-2
|
| 19236 |
van katoen geven |
buzze geven, kemp,:
katoen geven (L416p Opglabbeek),
wij zullen ons moeten weren
veͅ zelən os mōtə wīrə (L416p Opglabbeek)
|
welke uitdrukkingen kent uw dialect om te zeggen dat we er kracht of drift moeten achter zetten om klaar te komen; sommige dialecten zeggen b.v. we zullen moeten katoen geven (of: hem katoen geven, of: van katoen geven), lament geven [ZND 41 (1943)]
III-1-4
|
| 34489 |
van veren wisselen |
ruizelen:
ri.zǝlǝ (L416p Opglabbeek),
rīzǝlǝ (L416p Opglabbeek)
|
[N 19, 51; L 6, 20; L 42, 5; L 48, 10; A 26, 8; Lu 2, 10; Lu 4, 8; S 30; JG 1a, 1b, 2a-2, 12, 2c; monogr.]
I-12
|
| 17824 |
vangen |
vangen:
vange (L416p Opglabbeek),
vaŋə (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek)
|
vangen [ZND 25 (1937)], [ZND m]
III-1-2
|
| 28629 |
vangtangetje |
nijper:
nīpǝr (L416p Opglabbeek)
|
Gereedschap dat men gebruikt bij het vangen en vasthouden van een koningin. De informanten van L 289, L 333, L 414 en L 215a vermelden dat ze dit steeds met de vingers doen. [N 63, 101; monogr.]
II-6
|
| 21254 |
varen |
varen:
op zi varə (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek),
vārən (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek),
vērə (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek)
|
op zee varen [ZND A1 (1940sq)] || varen [ZND 08 (1925)], [ZND m]
III-3-1
|
| 24518 |
varen (alg.) |
wauwelkruid:
wauwelkraut (L416p Opglabbeek)
|
varenplant
III-4-3
|