e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Opglabbeek

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
valsspeler foetelaar: fy(3)̄təlēͅr (Opglabbeek) Iemand die altijd vals speelt [aarzak, haarzak, aaszak]. [N 88 (1982)] III-3-2
van de duivel bezeten van de duivel bezeten: van də dievəl bəzéétə zeen (Opglabbeek) Van de duivel bezeten [mit der duvel bezaese]. [N 96D (1989)] III-3-3
van de leg afraken droog staan: drīx stǭn (Opglabbeek), uitgelegd (volt. deelw.): ȳtxǝlaxt (Opglabbeek) [N 19, 50b; N 19, Q 111 add.; monogr.] I-12
van hoge afkomst van hoge afkomst: van heuge aafkoemst (Opglabbeek), van hŏĕge aafkoomst (Opglabbeek), van rijke typen: van rīēkə tĭĕppə (Opglabbeek) van hoge afkomst; hij is - - - [ZND 19 (1936)] || van hoge afkomst; hij is - - -van goei mensen [ZND 19 (1936)] III-2-2
van katoen geven buzze geven, kemp,: katoen geven (Opglabbeek), wij zullen ons moeten weren  veͅ zelən os mōtə wīrə (Opglabbeek) welke uitdrukkingen kent uw dialect om te zeggen dat we er kracht of drift moeten achter zetten om klaar te komen; sommige dialecten zeggen b.v. we zullen moeten katoen geven (of: hem katoen geven, of: van katoen geven), lament geven [ZND 41 (1943)] III-1-4
van veren wisselen ruizelen: ri.zǝlǝ (Opglabbeek), rīzǝlǝ (Opglabbeek) [N 19, 51; L 6, 20; L 42, 5; L 48, 10; A 26, 8; Lu 2, 10; Lu 4, 8; S 30; JG 1a, 1b, 2a-2, 12, 2c; monogr.] I-12
vangen vangen: vange (Opglabbeek), vaŋə (Opglabbeek, ... ) vangen [ZND 25 (1937)], [ZND m] III-1-2
vangtangetje nijper: nīpǝr (Opglabbeek) Gereedschap dat men gebruikt bij het vangen en vasthouden van een koningin. De informanten van L 289, L 333, L 414 en L 215a vermelden dat ze dit steeds met de vingers doen. [N 63, 101; monogr.] II-6
varen varen: op zi varə (Opglabbeek, ... ), vārən (Opglabbeek, ... ), vērə (Opglabbeek, ... ) op zee varen [ZND A1 (1940sq)] || varen [ZND 08 (1925)], [ZND m] III-3-1
varen (alg.) wauwelkruid: wauwelkraut (Opglabbeek) varenplant III-4-3