| 21599 |
vertellen |
vertellen:
ə vərteͅlsəkə vərteͅlə (Q010p Opgrimbie)
|
Een geschiedenis vertellen [ZND 24 1937)]
III-3-1
|
| 34290 |
vertuieren |
voorthouwen:
vōrthǫu̯ǝ (Q010p Opgrimbie)
|
Het verplaatsen van het vee, telkens wanneer een stuk wei is afgegraasd. [L 40, 21b; monogr.]
I-11
|
| 20304 |
verwend kindje |
bedorven kindje:
bədorəvə ke:nšə (Q010p Opgrimbie)
|
bedorven kindje; het is een - - [ZND 05 (1924)]
III-2-2
|
| 18277 |
vest |
gilet (fr.):
žīlē(kə) (Q010p Opgrimbie),
giletje (<fr.):
žīlē(kə) (Q010p Opgrimbie),
kamizooltje (<fr.):
kaməzø͂ͅlkə (Q010p Opgrimbie)
|
wit vest (manskledingstuk waarin het horloge gedragen wordt) [ZND 08 (1925)]
III-1-3
|
| 30928 |
veter |
rijstaartel:
rę̄jstartǝl (Q010p Opgrimbie)
|
Koord of smal gevlochten band door de ogen van de schoenen geregen, om de kleppen naar elkaar toe te halen en te bevestigen. Het kan van leer of van een andere stof gemaakt zijn. Volgens de informant van P 219 is de staartel breder dan de nestel. [N 60, 27a; N 60, 27b; L 5, 14; Wi]
II-10
|
| 33756 |
veulen |
veulen:
vø̄.lǝ (Q010p Opgrimbie)
|
Jong paard, gewoonlijk tot de leeftijd van twee en een half jaar. [JG 1a, 1b; A 4, 2d; L 20, 2d; L A1, 262; N 8, 1; Gwn 5, 10; RND 107; S 40; Wi 4; monogr.]
I-9
|
| 34535 |
vierdeel eieren |
vierdeel:
vīǝdǝl (Q010p Opgrimbie)
|
Een vierdeel eieren is volgens het WNT vooral een maat voor granen. Wat een vierdeel eieren inhoudt, is moeilijk na te gaan. De Diksjenaer van ''t Mestreechs zegt dat een viedel eieren een vierendeel van honderd plus één is, dus 26. Heel waarschijnlijk gaat het dus om een vierde deel van honderd.' [L 8, 44; monogr.]
I-12
|
| 20574 |
vieruursboterham |
koffie, de -:
kof-əj (Q010p Opgrimbie),
koffie (Q010p Opgrimbie),
kofə (Q010p Opgrimbie),
koffiedrinken, het -:
kof-əj dreͅŋkə (Q010p Opgrimbie)
|
de maaltijd die gewoonlijk rond vier uur in de namiddag gebruikt wordt, het vieruurtje [ZND 06 (1924)] || namen en uren van de dagelijkse maaltijden: 1 of 2 keer ¯s morgens, 1 keer ¯s middags [ZND 18G (1935)] || namen en uren van de dagelijkse maaltijden: 16 uur [ZND 18G (1935)]
III-2-3
|
| 21537 |
vijf centiem |
knabje:
5 cent.
knaepkə (Q010p Opgrimbie),
onduideljk
ə knɛepkə (Q010p Opgrimbie)
|
Bestaat er een dialectnaam voor een stuk van 5 centimes? [ZND 28 (1938)] || kluit (geldstuk) [ZND 01 (1922)]
III-3-1
|
| 21538 |
vijfentwintig centiem |
kwartje:
drej kwaartses = 0,75 fr,
ə kwāršə (Q010p Opgrimbie)
|
Bestaat er een dialectnaam voor een stuk van 25 centimes? [ZND 28 (1938)]
III-3-1
|