| 34316 |
varken van acht tot twaalf weken |
loper:
løu̯pǝr (P222p Opheers)
|
De benamingen duiden doorgaans op een big van acht tot twaalf weken. Het gewicht van dit varken varieert van ongeveer 30 kg tot ongeveer 50 kg. [N 19, 4a; N 76, 3c; N C, 9c; JG 1a, 1b, 2c; L 37, 49b; L 37, 49e; L 3, 2b; L 1a-m; A 4, 4b; Gwn; monogr.; N C, add.; N 19, Q 111 add.]
I-12
|
| 33391 |
varkensstal, varkenshok |
varkenskot:
vɛ.rǝkǝskǫt (P222p Opheers),
varkenskotje:
vɛ.rkǝskø̜tjǝ (P222p Opheers),
varkensstal:
vɛ.rǝkǝs[stal] (P222p Opheers),
varkenstalletje:
vɛ.rǝkǝsstɛlǝkǝ (P222p Opheers)
|
De stal of het deel van de stal waarin zich de varkenshokken bevinden. Doorgaans wordt er geen onderscheid gemaakt in de aanduiding van de stal in de zin van het gebouw of deel daarvan en in die van het hok, de houten constructie waarin de varkens zich bevinden. De opgaven waarbij wèl is aangegeven dat zij betrekking hebben op het houten hok, staan achter in het lemma bijeen. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel (stal) het lemma "stal" (2.1.3). Zie ook de plattegronden van de stallen in paragraaf 1.2. [N 5A, 60a en 60b; N 5, 105c; A 10, 9d en 9e; L 38, 27; S 39 en 50; monogr.]
I-6
|
| 34368 |
varkenston |
varkenston:
vęrkǝston (P222p Opheers)
|
Ton om gekookt varkensvoer in te bewaren. Zie voor de benamingen van "varkensketel" het lemma ''varkensketel'' in wld I.6 (2.2.11). [N 18, 131; monogr.]
I-12
|
| 33393 |
varkenstrog |
trog:
trǭax (P222p Opheers),
trǭx (P222p Opheers)
|
De vaste voerbak in een varkenshok voor het vloeibare voedsel. [N 5A, 60d; A 4, 4d; L 8, 19; L 20, 4d]
I-6
|
| 33396 |
varkenswei |
buitenkot:
bǭtǝkǫt (P222p Opheers),
varkenswei:
vɛrkǝs˱węi̯ (P222p Opheers)
|
De met een houten schutting of prikkeldraad omheinde ruimte in de open lucht waar de varkens lopen. Vaak wordt de boomgaard als varkenswei gebruikt. [N 5A, 61a; N 76, 41a; A 10, 9e]
I-6
|
| 18427 |
vaste boord |
kraag:
krōͅx (P222p Opheers)
|
kraag, vaste halsboord van een overhemd [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 33363 |
vaste voer- en drinkbak |
krib:
krip (P222p Opheers),
kręp (P222p Opheers)
|
De opgemetselde bak of goot, soms in vakken verdeeld, die vóór de koeien langs loopt, waaruit de koeien eten en drinken. De hoogte van de bak verschilt van plaats tot plaats. Het water wordt het laatst in de bak gedaan. De bak is dan meteen schoon. Zie ook het vorige lemma "voer- en drinkgoot" (2.2.14). Zie ook afbeelding 10 bij het lemma "koeienstand" (2.2.23). [N 5A, 37b; N 4, 76; N 5, 96; L 1, a-m; L A1, 174; S 19; Wi 4; monogr.; add. uit N 5A, 37a; A 10, 10]
I-6
|
| 22648 |
vastenavond |
vastelavond:
fɛstəlu.uvət (P222p Opheers)
|
vastenavond [RND]
III-3-2
|
| 21284 |
vechten |
vechten:
fɛ:xtə (P222p Opheers)
|
Hij deed geheel de wereld vechten. [RND]
III-3-1
|
| 34266 |
vee |
beesten:
bestǝ (P222p Opheers)
|
Alle huisdieren samen: paarden, runderen en kleinvee. Vergelijk het lemma ''veestapel'' (13.12) in deze aflevering. [A 11, 4; JG 1a; RND 4, 31; RND 7, 31; RND 8, 31; RND 10, 31; Wi 52; N C, add.; Vld.; monogr.]
I-11
|