| 19563 |
borrelglaasje |
jacques-je:
djoͅkskə (P222p Opheers),
maatje:
myət⁄ə (P222p Opheers)
|
jeneverglaasje met een voetje (borrel) [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 17578 |
borstelig haar |
stekelhaar:
stikəlhoar (P222p Opheers)
|
borstelig haar (stekkerhaar, pinhoor] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 33988 |
borstnet |
borstnet:
bǫ(ǝ)snęt (P222p Opheers)
|
Vliegennet dat alleen voor de borst van het paard wordt gehangen. [JG 1a, 1b; N 13, 83b]
I-10
|
| 33969 |
borstriem |
borstleer:
bǫ(ǝ)sli(ǝ)r (P222p Opheers)
|
Leren riem van het borsttuig die voor de borst van het paard zit. Zie ook opmerking onder lemma Borsttuig. [N 13, 52]
I-10
|
| 18400 |
borstrok |
hart:
hat (P222p Opheers),
lijfje:
lafkə (P222p Opheers)
|
borstrok, onderkledingstuk dat over het hemd wordt gedragen [hemdrok, humperok, sjtoep, liefke, slaoplijf] [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 18603 |
borstrok (voor mannen) |
hart:
hat (P222p Opheers),
kamizool (<fr.):
kaməsol (P222p Opheers)
|
borstrok voor mannen [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 18602 |
borstrok (voor vrouwen) |
boezem:
bu:wəzəm (P222p Opheers),
lijfje:
lafkə (P222p Opheers)
|
borstrok voor vrouwen [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 18248 |
borstspeld |
broche (fr.):
brosj (P222p Opheers),
broš (P222p Opheers),
speld:
spɛl (P222p Opheers)
|
speld waarmee de slippen van de grote omslagdoek voor de borst bijeen worden gehouden [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 18323 |
borststuk van een schort |
boezem:
būzəm (P222p Opheers)
|
borststuk, bovenste deel, ~ van een schort [boezem] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 33968 |
borsttuig |
gareel:
gǝriǝl (P222p Opheers)
|
Trektuig bestaande uit een stel leren riemen, dat wel eens gebruikt wordt in plaats van een haam, als het paard aan de schouders gedrukt is (zie WLD I, afl. 9, p. 111). In een vrij groot aantal opgaven verwijst de benaming voor een deel van het borsttuig naar het geheel, bv. het woordtype borstriem. Het omgekeerde, waarbij de term voor het geheel gebruikt wordt ter aanduiding van een onderdeel ervan, komt minder vaak voor (zie lemma Borstriem). [JG 1b, 1c, 1d, 2c; N 13, 51]
I-10
|