| 19089 |
iemand uitschelden |
schelden:
šeͅlə (L371p Ophoven),
uitmaken:
einəm oetmaake (L371p Ophoven),
ement outmaken (L371p Ophoven),
uitschijten:
oetsjietə (L371p Ophoven)
|
Op iem. schelden, iem. uitschelden. Geef de gemeenzame uitdrukkingen op en zet tussen twee haakjes welke als "gemeen"of "plat"beschouwd worden. [ZND 34 (1940)]
III-1-4
|
| 18895 |
iemand weerstaan |
bolwerken:
bolwerken (L371p Ophoven)
|
het volhouden tegen iemand, iemand niet zijn zin geven [bolwerken, keephouden, het iemand staan] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 19262 |
iemand zijn gang laten gaan |
betijen:
betijen (L371p Ophoven)
|
toestaan een handeling te verrichten [laten begaan, betijen, getijen, gewaren, loslaten] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 20444 |
iemands overlijden aanzeggen |
ter lijk bidden:
ter liek bèje (L371p Ophoven),
ter liek bèjen (L371p Ophoven),
znd 32, 71;
tər liek büjjə (L371p Ophoven)
|
buren en kennissen op iemands begrafenis uitnodigen [bidden, in de rouw verzoeken] [N 87 (1981)] || de buren en kennissen op iemands begrafenis uitnodigen [ZND 32 (1939)] || ter begrafenis noden, "ter lijk noden"[tser liech róffe] [N 96D (1989)]
III-2-2
|
| 24635 |
iep |
olm:
WBD/WLD
olm (L371p Ophoven)
|
De iep; een snel groeiende boom die tot 18 m hoog kan worden me een brede kroon; vele iepen worden het slachtoffer van de iepziekte en verdwijnen snel (iep, olm) [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 19246 |
iets (leren) beheersen |
get meester zijn:
meister zeen (L371p Ophoven)
|
een vaardigheid goed geleerd hebben [mannen, meester geraken] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 18862 |
iets opkroppen |
opkroppen:
opkroppen (L371p Ophoven)
|
zijn verdriet of ongenoegen proberen verborgen te houden [opkroppen, kroppen] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 21563 |
ijken |
ijken:
ijken (L371p Ophoven)
|
gewicht nakijken om vast te stellen of ze het juiste gewicht hebben en, indien nodig, ze het juiste gewicht geven [ijken, ijkenen, pegelen] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 17995 |
ijlen |
dollen:
Of dolen?
dolen (L371p Ophoven),
ijlen:
ijlen (L371p Ophoven)
|
Ijlen: door koorts verward, onsamenhangend spreken (ijlen, bazelen, raaskallen, baageren, dolen). [N 107 (2001)] || Ijlen: door koorts verward, onsamenhangend spreken (ijlen, bazelen, razen, raaskallen, delireren). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 26392 |
ijs kappen |
(ijs) kappen:
kapǝ (L371p Ophoven)
|
Het ijs rond het molenrad wegkappen. [Jan 95; Coe 78; Grof 96]
II-3
|