| 34463 |
kippen -kinderwoord |
tieten:
tītǝ (L371p Ophoven)
|
[N 19, 38; monogr.]
I-12
|
| 34507 |
kippen -werkwoord |
gekipt (volt. deelw.):
gǝkøpt (L371p Ophoven),
uitkomen:
ū.tko.mǝ (L371p Ophoven)
|
De eierschaal doorprikken, zich uit de eierschaal bevrijden, gezegd van kuikens in het ei. [JG 1a, 1b, 1c, 2c; monogr.]
I-12
|
| 34010 |
kippen, storten |
opkippen:
ǫpkepǝ (L371p Ophoven),
opstoten:
ǫpstuǝtǝ (L371p Ophoven)
|
Het ontladen van een kipkar door de bak te doen kantelen. Dit gebeurt door het balkje voor de bak, dat deze vastzet (de zgn. sluitstok) weg te nemen, en het paard de kar achteruit te laten stoten. [JG 1a, 1b; monogr.]
I-10
|
| 18142 |
kippenborst |
kuikenborst:
kukebost (L371p Ophoven)
|
Vooruitstekend borstbeen (kippenborst, hennenborst...). [N 109 (2001)]
III-1-2
|
| 33404 |
kippenhok |
hoenderkooi:
hōndǝrkūǝi̯ (L371p Ophoven),
hoenderkot:
hōndǝrkǫt (L371p Ophoven)
|
Het vrijstaande gebouwtje of de afgesloten ruimte ergens in de boerderij, waarin zich de zitstokken en legnesten voor de kippen bevinden. Begripsmatig is het kippenhok lastig af te bakenen van de kippenzolder; vaak lopen de twee benamingen voor het kippenverblijf door elkaar. De twee lemma''s "kippenhok" (2.5.1) en "kippenzolder, polder" (2.5.2) vullen elkaar dan ook aan. De polder-opgaven met de betekenis "kippenzolder, kippenverblijf" zijn overgeplaatst naar het lemma "kippenzolder, polder" (2.5.2); zie de toelichting bij dat lemma. De twee elementen van de samenstellingen van het type kippen-hok zijn apart in kaart te brengen. Het eerste element (hoender-, kippen-, hennen- en kieken-) is hier in deze aflevering over de bedrijfsgebouwen niet verder behandeld; men vindt het in de aflevering over het pluimvee, waar het beter tot z''n recht zal komen. Kaart 30 bevat het tweede element van de bedoelde samenstellingen, de bepaalde delen (-stal, -huis, -hok, -kooi, -kouw en -kot). Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel (stal) het lemma "stal" (2.1.2). Zie afbeelding 11. [N 5, 93 en 99; N 19, 31; JG 1a, 1b en 1c; A 10, 9h; A 48, 16a; L B2, 283; L 5, 53; L 38, 30; monogr.]
I-6
|
| 33406 |
kippenladder, kippenleertje |
hoenderleidertje:
hōndǝrlęi̯ǝrkǝ (L371p Ophoven)
|
Het laddertje of een plank met dwarslatjes waarlangs de kippen het boven een stal gelegen kippenverblijf of de slaapzolder kunnen bereiken. Het voorwerp timmert men meestal met eigen middelen primitief in elkaar. Zie ook afbeelding 11 bij het lemma "kippenhok" (2.5.1). [N 5A, 63d; A 48, 17b; L 40, 62a en 62b; monogr.]
I-6
|
| 33407 |
kippenrek, hoenderrek |
mestrek:
męstręk (L371p Ophoven),
rek:
ręk (L371p Ophoven),
zitrek:
zetręk (L371p Ophoven)
|
Een uit één of meer latten of balkjes bestaand rek bestemd om als slaapplaats te dienen voor de kippen. Een dergelijk rek kan zich in de koestal bevinden, maar ook in een apart kippenhok. Een aantal woordtypen is in het algemeen van toepassing op de ruimte waar de kippen overnachten. Zie daarom ook de lemmata "kippenhok" (2.5.1) en "kippenzolder" (2.5.2). Zie ook de betekeniskaart van polder, kaart 31. Zie ook afbeelding 11 bij het lemma "kippenhok" (2.5.1). [N 5A, 63a, 63c en 65; N 19, 33; JG 1a, 1b en 1d; A 48, 16f en 17c; L B2, 284; L 5, 53; L 40, 62a en 62b; R 3, 54; monogr.; add. uit: N 5A, 58b; A 10, 9h]
I-6
|
| 33411 |
kippenren |
ren:
rɛn (L371p Ophoven)
|
De met gaas omheinde buitenruimte, die aan het kippenhok grenst of er anderszins mee in verbinding staat en waarin de kippen overdag rondlopen. Het woord bout in Hoeselt (Q 77) is te beschouwen als een ontlening uit het Waalse bèr√¥dî, daar ontstaan uit * bèh√¥rdi, dat weer ontleend en afgeleid is uit Nl. behorden, "met een horde omheinen"; vgl. Haust, D L, s.v. bèr√¥dî. [N 19, 34; A 10, 9h; A 48, 16b; monogr.]
I-6
|
| 34486 |
kippenveer |
veer:
vēr (L371p Ophoven),
veertje:
vērkǝ (L371p Ophoven)
|
[L 5, 49; Vld.; monogr.]
I-12
|
| 18000 |
kippenvel |
hoenderenvel:
hoonderevel (L371p Ophoven)
|
Kippenvel (kippenvel, hoenderhuid, kiekenvel, hennenpokken). [N 109 (2001)]
III-1-2
|