| 21092 |
schaften |
schaften:
schaften (L371p Ophoven),
schoften:
schoften (L371p Ophoven)
|
het werk onderbreken om te rusten [schaften, schaffen, poren] [N 85 (1981)] || Rusten: rust houden na arbeid of vermoeienis (schoven, schoften). [N 84 (1981)]
III-3-1
|
| 21483 |
schafttijd |
eten:
no.əd ɛ.tə (L371p Ophoven)
|
schafttijd [RND]
III-3-1
|
| 19129 |
schande |
schande:
schanj (L371p Ophoven),
⁄t is ein schanj (L371p Ophoven)
|
Schande [scha.nd]. [N 96D (1989)] || t Is een schande. [ZND 06 (1924)]
III-3-3
|
| 34435 |
schapenboer |
schaapsboer:
šǭbzbō.r (L371p Ophoven)
|
Landbouwer wiens voornaamste bedrijfstak de schapenkweek is. [JG 1a, 1b]
I-12
|
| 34426 |
schapenscheerder |
scheerder:
sxē̜i̯rdǝr (L371p Ophoven)
|
Persoon die beroepsmatig schapen scheert. Volgens de informant van L 265 (Meijel) kan de schapenscheerder ook de schapenboer zelf zijn. [N 77, 47]
I-12
|
| 34494 |
scharrelen |
dabben:
dabǝ (L371p Ophoven),
scharrelen:
šarǝlǝ (L371p Ophoven),
scharren:
šarǝ (L371p Ophoven)
|
De kippen dabben en scharren in de grond om wormen, insecten en dergelijke te vinden. [N 19, 61a; L 33, 20; monogr.]
I-12
|
| 19045 |
schaterlachen |
zich bedoen:
zich bedoon (L371p Ophoven)
|
bescheuren, iets bescheuren in de betekenis van erbij scheuren van het lachen; betekenis/uitspraak [N 38 (1971)]
III-1-4
|
| 21432 |
schatten |
schatten:
schatten (L371p Ophoven)
|
het gewicht van iets schatten [koersen, prijzen] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 17800 |
schede |
schede:
šēͅi̯ (L371p Ophoven),
spleet:
spleet (L371p Ophoven)
|
schede, lederen ~ waarin een mes wordt bewaard [N 20 (zj)] || Schede: het buisvormige deel van de vrouwelijke geslachtsorganen dat toegang verleent tot de baarmoederhals, vagina (slot, foeter, keet, schede). [N 84 (1981)]
III-1-1, III-2-1
|
| 34115 |
schede van de koe |
vazel:
vā.zǝl (L371p Ophoven),
vāzǝl (L371p Ophoven)
|
Uitwendig geslachtsorgaan van de koe. [N C, 13; JG 1a, 1b; A 48A, 47b; monogr.]
I-11
|