| 25016 |
scheef, niet recht |
scheef:
scheif (L371p Ophoven)
|
van de rechte richting afwijkend, niet recht of niet rechthoekig [scheef, noers, noes, slim, scheel, schieps, schuins, schiks, schoeks] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 17730 |
scheel |
scheel (bn.):
schjêêl (L371p Ophoven),
šēl (L371p Ophoven)
|
Hij ziet scheel. [ZND 06 (1924)] || scheel [ZND m]
III-1-1
|
| 17729 |
scheel zien |
scheel kijken:
scheel kieken (L371p Ophoven),
scheel zien:
scheel zeen (L371p Ophoven)
|
Scheel zien: gebrek van de ogen waarbij de oogassen niet op een zelfde punt gericht kunnen worden (scheel zien, scheel kijken, loensen) [N 108 (2001)] || Scheel zien: gebrek van de ogen waarbij de oogassen niet op eenzelfde punt gericht kunnen worden (scheel zien, blieken, een bloem op het oog hebben). [N 84 (1981)]
III-1-1
|
| 17774 |
scheen |
scheen:
schenen (L371p Ophoven),
šēn (L371p Ophoven)
|
De scheen (voorste deel van het been). [ZND 06 (1924)] || scheen [ZND m]
III-1-1
|
| 23557 |
scheepje voor de wierook |
schuitje:
sjuutje (L371p Ophoven)
|
Het scheepje waarin de wierookkorrels worden bewaard [scheepke, schipke, schuitje, sjuutje?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 18727 |
scheerapparaat |
scheermachine:
sjērmechien (L371p Ophoven)
|
Een electrisch scheerapparaat [scheermachine, scheerder] [N 114 (2002)]
III-1-3
|
| 18402 |
scheermes |
scheermes:
ei schêrmets (L371p Ophoven),
schēērmes (L371p Ophoven),
sjērmes (L371p Ophoven)
|
een mes waarmee men de baardharen afscheert [scheermes, schars, schors] [N 86 (1981)] || Een scheermesje. Een mes waarmee men de baardharen afscheert [scheermes, schars, schors] [N 114 (2002)] || Scheermes [ZND 06 (1924)]
III-1-3
|
| 34587 |
schei |
schei:
šɛi̯ (L371p Ophoven),
scheien:
šɛi̯.ǝ (L371p Ophoven)
|
Elk van de houten balkjes die de berries verbinden en scheiden en zo de berries evenwijdig houden. Deze balkjes worden door openingen in de berries gestoken en door middel van spieën stevig vastgezet. Het aantal scheien van een kar is afhankelijk van de lengte van de berries. Een hoogkar heeft bijgevolg meer scheien dan een stortkar. [N 17, 24 + 40; N 8, 106; N G, 56e + 58a; JG 1a, JG 1b; monogr]
I-13
|
| 19070 |
schelden, schimpen |
schimpen:
schimpen (L371p Ophoven)
|
op onwaardige wijze kritiek uitspreken [schimpen, spijkeren] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 18952 |
schelm |
schelm:
schelm (L371p Ophoven)
|
een persoon die allerlei streken uithaalt op een grappige manier en daarmee geen kwade bedoelingen heeft [kufer, rakker, rekel, schelm, dianter, loebas, brak] [N 85 (1981)]
III-1-4
|