| 20501 |
slok |
teug:
teug (L371p Ophoven)
|
teug; Hoe noemt U: De hoeveelheid drank of vloeistof die men in een keer in de mond neemt en doorslikt (teug, slok, zjats) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 17695 |
slokdarm |
slokdarm:
slokderm (L371p Ophoven)
|
Slokdarm (slikdarm, krop, gorgel). [N 109 (2001)]
III-1-1
|
| 18977 |
slons (slodder?) |
kwakel:
kwakel (L371p Ophoven),
slodder:
slodder (L371p Ophoven),
slons:
slons (L371p Ophoven),
zwarte heks:
zwarte heks (L371p Ophoven)
|
een haveloze, slordige vrouw [slodder, sloor, slons, luns, klons, slos, lameer] [N 85 (1981)] || Een slodder, slons, sloor (vuil wijf). [ZND 06 (1924)]
III-1-4
|
| 19315 |
slordig |
slordig:
slordig (L371p Ophoven)
|
onachtzaam of onordelijk in zijn werk of in zijn geheugen [lod, hordsig, slordig] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 19894 |
slot |
slot:
slōt (L371p Ophoven),
slōǝt (L371p Ophoven)
|
Toestel dat als sluiting op deuren wordt aangebracht, waarbij door middel van een sleutel een schoot of tong wordt uitgeschoven die in een gat in de stijl van het kozijn valt. [N 54, 94b; L 6, 73a; S 33; monogr.]
II-9
|
| 18630 |
sluier |
voile (fr.):
vōəl (L371p Ophoven)
|
sluier, lange witte ~ met een kroontje van wasbloempjes, hoofdtooi van Communiemeisjes [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 17577 |
sluik haar |
stekelhaar:
stekelhaor (L371p Ophoven)
|
Recht, sluik haar (stijf/plat haar, pemelen, piezelen, stekelhaar). [N 109 (2001)]
III-1-1
|
| 17933 |
sluipen |
sluipen:
sloepen (L371p Ophoven),
slupen (L371p Ophoven)
|
Sluipen: zich in alle stilte voortbewegen zodat niemand het merkt (sluipen, kruipen, slippen, gluipen). [N 84 (1981)] || Sluipen: zich in alle stilte voortbewegen, zodat niemand het merkt (sluipen, kruipen, gluipen) [N 108 (2001)]
III-1-2
|
| 21175 |
sluisdeur |
sluis:
slus (L371p Ophoven),
sluisdeur:
sluzdø̄.r (L371p Ophoven)
|
Sluisdeur, bestaande uit een vijftal planken die horizontaal op twee vertikaal staande planken zijn bevestigd. Zie ook afb. 68. Volgens Janssen (pag. 33) werden de planken vroeger met pinnen -lange houten nagels met vierkante kop- op de balken vastgemaakt. Later werden de pinnen vervangen door grote ijzeren schroeven. [Vds 38; Coe 19; Jan 34; Grof 50; Grof 56; monogr.]
II-3
|
| 18542 |
sluitklep |
klepstuk:
klepstøk (L371p Ophoven)
|
klep van een broek met sluitklep aan de voorkant [bokseslaag, presenteerblad] [N 23 (1964)]
III-1-3
|