| 18183 |
passen |
passen:
pasǝ (L362p Opitter),
pasə (L362p Opitter)
|
Een kledingstuk passen om te zien of het goed zit en de juiste maat heeft. [N 59, 73; N 62, 8; L 48, 1; monogr.] || Passen. Wie een nieuwe jas bestelt laat zich de maat nemen en moet later naar de kleermaker om het kledingstuk te gaan ... Welk woord gebruikt uw dialect hier? (fr. essayer) [ZND 48 (1954)]
II-7, III-1-3
|
| 23237 |
pastoor |
pastoor (<lat.):
m
də pəstu:r (L362p Opitter),
də pəstyr (L362p Opitter)
|
Pastoor. [ZND 14 (1926)]
III-3-3
|
| 23284 |
patroonheilige, kerkpatroon |
patroon (<fr.):
alle drie mannel.
eine petroe (L362p Opitter),
heilige: m
pətroeən (L362p Opitter)
|
Een patroon: uitspraak. [ZND 40 (1942)]
III-3-3
|
| 23285 |
paus |
paus:
de paus (L362p Opitter)
|
De paus. [ZND 40 (1942)]
III-3-3
|
| 33492 |
peer, soorten |
peer:
pɛr (L362p Opitter)
|
[ZND 21 (1936)]
I-7
|
| 20414 |
peetoom |
peteren:
pi.ətərə (L362p Opitter)
|
peter (doopvader) [ZND 05 (1924)]
III-2-2
|
| 20415 |
peettante |
peet:
pɛ:t (L362p Opitter)
|
meter (doopmoeder) [ZND 05 (1924)]
III-2-2
|
| 26372 |
peilmerk |
pegel:
pēgǝl (L362p Opitter),
waterpeil:
wātǝrpęjl (L362p Opitter)
|
Een van overheidswege aangebracht merkteken in de vorm van een nagel, bout (l 371) of ingemetselde steen (l 368) waarmee het hoogst toelaatbare waterpeil wordt aangegeven. Volgens Coenen (pag. 52) gold het systeem van de peilnagel niet in Nederland. Men kende daar wel een schaallat waarop men steeds het peil kon aflezen. [Vds 54; Jan 54; Coe 40; Grof 70]
II-3
|
| 30887 |
pek |
pek:
pę̄k (L362p Opitter),
pɛk (L362p Opitter)
|
De kleverige, zwarte massa die de schoenmaker gebruikt om een draad mee in te smeren. [N 60, 197b; N 36, 44; L 40, 38]
II-10
|
| 30885 |
pekdraad |
pekdraad:
pę̄kdrǭt (L362p Opitter),
pɛkdroǝt (L362p Opitter)
|
De draad die men maakt door hennepvezels in elkaar te draaien en met pek in te smeren. [N 60, 195a; N 60, 238a; N 36, 44; L 40, 39]
II-10
|