| 22310 |
proppenschieter |
knap:
met de knap sjeten
ɛn knap (L362p Opitter)
|
/ [SND (2006)]
III-3-2
|
| 20911 |
pruim |
pruim:
proem (L362p Opitter)
|
[ZND 34 (1940)]
I-7
|
| 18926 |
prutsen |
hippetippen:
hippetippe (L362p Opitter),
knoeien:
knoeien (L362p Opitter),
knoeië (L362p Opitter),
knutselen:
knutselen (L362p Opitter),
prutsen:
pritse (L362p Opitter),
pritsen (L362p Opitter)
|
Frutselen (met kleinigheden bezig zijn). [ZND 35 (1941)] || prutsen: uitspraak [ZND 40 (1942)]
III-1-4
|
| 18930 |
prutswerk |
gehotsel:
waat e gehotsel (L362p Opitter),
geknoei:
waat e geknoei (L362p Opitter)
|
Wat een geknoei (slecht en slordig werk). [ZND 35 (1941)]
III-1-4
|
| 30687 |
puimsteen |
puimsteen:
pǫmpstęjn (L362p Opitter)
|
Lichte poreuze gestolde lava met een sponsachtig uiterlijk voor het polijsten van houtwerk en het inschuren van natte grondverf. De 'Gotlandsteen' (Q 162) is een zeer fijnkorrelige zandsteen uit Gotland in Zweden, harder dan puimsteen, die voor fijn schuurwerk wordt gebruikt. [S 29; L 40, 80; N 67, 60c; Renders 1; monogr.]
II-9
|
| 32879 |
punt van het blad van de zeis |
tip:
tep (L362p Opitter)
|
De scherpe punt aan het blad van de zeis, aan het uiteinde tegenover de arend en de hak. Zie afbeelding 5, nummer 3. [N 18, 68c; JG 1a, 1b, 2c; monogr.]
I-3
|
| 33624 |
putgalg |
putstiep:
pøͅtštīp (L362p Opitter)
|
[ZND 32 (1939)]
I-7
|
| 33633 |
puthaak |
stok:
stok (L362p Opitter)
|
[ZND 32 (1939)]
I-7
|
| 33623 |
putzwengel |
putzwengel:
pøͅtzweŋəl (L362p Opitter)
|
[ZND 32 (1939)]
I-7
|
| 27904 |
raam |
raam:
rām (L362p Opitter)
|
Zie kaart. Een van glas voorziene opening waardoor het buitenlicht naar binnen valt. In het onderzoeksgebied worden de woorden 'venster' en 'raam' ook wel gebruikt voor de houten of metalen omlijsting waarin de vensterruit wordt geplaatst. In het Standaardnederlands zijn de woorden 'raam', 'venster' en 'glas' onzijdig, in de meeste Limburgse dialecten echter vrouwelijk. Wanneer door de invullers nadrukkelijk een vrouwelijk genus werd opgegeven, is achter de betreffende plaatscode een (+) opgenomen. [N 55, 37; RND 49; A 46, 10a; L mon.; monogr.; Vld.]
II-9
|