| 24249 |
spreeuw |
spreeuw:
sprieuft (L288a Ospel),
sprieëft (L288a Ospel),
sprîêft (L288a Ospel)
|
Hoe heet de spreeuw? [DC 06 (1938)] || spreeuw
III-4-1
|
| 21352 |
spreken, praten |
kallen:
kallen (L288a Ospel)
|
praten [DC 02 (1932)]
III-3-1
|
| 34409 |
springlap |
bokkenlapje:
bokǝlɛpkǝ (L288a Ospel)
|
Lap of stuk zakkenstof onder de buik van een mannelijk schaap gebonden. Hierdoor verhindert men dat de bok kan dekken. [N 19, P 188 add.; monogr.]
I-12
|
| 24382 |
sprinkhaan |
hooispringer:
hoeijspringer (L288a Ospel),
hoeëjsprînger (L288a Ospel),
sprinkhaan:
sprînkhaan (L288a Ospel)
|
sprinkhaan [DC 07 (1939)]
III-4-2
|
| 21007 |
spruiten |
spruitjes:
spruuttjes (L288a Ospel)
|
spruitkool, spruiten als gerecht [N Q (1966)]
III-2-3
|
| 24516 |
spruiten, uitbotten |
scheuten (krijgen):
scheut (L288a Ospel),
uitspringen:
± WLD
oetspringe (L288a Ospel)
|
Uitlopers krijgen, loten vormen, gezegd van planten, bomen (spruiten, uitbotten). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 33637 |
spruitkool, spruitje |
spruiten:
mv.
sproête (L288a Ospel),
spruitkool:
sproetkhuul (L288a Ospel)
|
[N Q (1966)]spruiten
I-7
|
| 17910 |
spuiten |
spuiten:
spuiten (L288a Ospel)
|
spuiten, met kracht door een nauwe opening naar buiten geperst worden, gezegd van water [spruiten, spritsen, sprietelen] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 19428 |
spuwbakje, kwispedoor |
tufbakje:
tuf bekske (L288a Ospel)
|
Spuwpotje of -bakje (spuwbakje, tufbak, speekbak, kwispedoor, kwispeldoer) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 33515 |
staakbonen |
staakbonen:
staâkboeën (L288a Ospel)
|
stokboon
I-7
|