| 30068 |
lagenverdeellat |
hoogtelat:
hø̜xtǝlat (L163p Ottersum)
|
Maatlat die is onderverdeeld in eenheden die ieder de dikte van één baksteen plus één voeg groot zijn. De lagenverdeellat heeft doorgaans een lengte van 1,10 m en wordt door de metselaar tegen de profielen gehouden om de laagverdeling daarop te kunnen aftekenen. Deze werkzaamheden werden in Q 3 'voegen aftekenen' ('vugǝ ǭftēkǝnǝ') en in L 414 'aftekenen' ('āftīkǝnǝ') genoemd. Zie ook afb. 28. [N 31, 8a; N 31, 8b; N 31, 7c; monogr.; div.]
II-9
|
| 29467 |
lagers |
lagers:
lāgǝrs (L163p Ottersum)
|
De lagers van de draaischijfas. Het onderste lager van de draaischijfas bestond in L 270 uit een plat ijzeren plaatje met kuiltje, waarin de puntige as draaide. Aan de bovenzijde was de draaischijfas vastgemaakt in een lager in een arm, bevestigd aan de zitting. In L 163 werd het geheel gesmeerd door middel van een spekzwaard (spɛk˲zwǭrt).' [N 49, 27c]
II-8
|
| 19769 |
laken |
laken:
lākǝ (L163p Ottersum)
|
Effen of met keperbinding geweven wollen stof, die door volling zulk een dichtheid heeft verkregen, dat men van draden vrijwel niets kan zien, zodat de oppervlakte zich viltachtig voordoet. [N 62, 75f; N 59, 201; MW]
II-7
|
| 30707 |
lakken |
lakken:
lakǝ (L163p Ottersum)
|
Met lak of vernis bestrijken, waardoor een glanzende oppervlakte wordt verkregen. [N 67, 66c; monogr.]
II-9
|
| 18147 |
lam |
lam:
lam (L163p Ottersum),
lammetje:
lɛmkǝ (L163p Ottersum),
schaapje:
sxø̜pkǝ (L163p Ottersum)
|
Jong van het schaap in het algemeen. Zie afbeelding 5. [N 70, 3; R 3, 36; S 20; Wi 5; Wi 12; L 20, 22c; L 6, 25; L 1a-m; JG 1a, 1b; AGV, m 3; A 2, 45; A 2, 1; A 4, 22c; Vld.; monogr.]
I-12
|
| 34412 |
lammeren |
lammen:
lāmǝ (L163p Ottersum)
|
Jongen ter wereld brengen, gezegd van het vrouwelijk schaap. [N 19, 67; JG 1a, 1b; L 29, 32; L 1a-m; N C, add.; Vld.; monogr.]
I-12
|
| 20669 |
lammetjespap |
boekweitmeelspap:
Syst. WBD
boekedeméélspap (L163p Ottersum),
lammetjespap:
lɛmkəspap (L163p Ottersum),
lɛməkəspap (L163p Ottersum),
Syst. WBD
lèmmekespap (L163p Ottersum)
|
lammetjespap, boekweitpap voor jonge kinderen || Pap van boekweitmeel (lemmekespap?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 34586 |
lamoen |
gestel:
gǝstęl (L163p Ottersum)
|
Het voorstel in z''n geheel: de twee berries en de verbindingsscheien. De benaming voor het lamoen komt voornamelijk voor in het zuidoosten van Belgisch Limburg en in het zuiden van Nederlands Limburg. [N 17, 50b + 90; N G, 54b + 56h + 64a; JG 1a; JG 1b; JG 1d; JG 2c; L 32, 63; L 34, 10; A 27, 20; Lu 5, 20]
I-13
|
| 19584 |
lamp |
lamp:
lāmp (L163p Ottersum),
tondelpot:
tōntəlpoͅt (L163p Ottersum)
|
lamp
III-2-1
|
| 19485 |
lampenpit |
lampenpit:
laampepit (L163p Ottersum)
|
lampepit van katoen in een petroleumlamp (limet, lemmet, lemment, lemmert) [N 20 (zj)]
III-2-1
|