| 26141 |
borst |
borst:
bǭ.st (L314p Overpelt)
|
Zie afbeelding 2.19. [JG, 1b; N 8, 32.2]
I-9
|
| 17578 |
borstelig haar |
bros:
nə broͅs (L314p Overpelt),
pinnetjes:
penəkəs (L314p Overpelt),
pinnetjeshaar:
penəkəsōr (L314p Overpelt),
stekelhaar:
stēkəlōr (L314p Overpelt)
|
borstelig haar (stekkerhaar, pinhoor] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 17765 |
borstkas |
borst:
bōͅrst (L314p Overpelt),
ich hem n kāw op m`n bōrst (L314p Overpelt)
|
een borst [ZND A1 (1940sq)] || Ik heb een kou op de borst. [ZND 22 (1936)]
III-1-1
|
| 33988 |
borstnet |
borstnet:
bǭrstnęt (L314p Overpelt)
|
Vliegennet dat alleen voor de borst van het paard wordt gehangen. [JG 1a, 1b; N 13, 83b]
I-10
|
| 33969 |
borstriem |
borstriem:
bǭrstrīm (L314p Overpelt),
%%voor de fonetische documentatie wordt verwezen naar het lemma BORSTRIEM%%
[borstriem] (L314p Overpelt)
|
Leren riem van het borsttuig die voor de borst van het paard zit. Zie ook opmerking onder lemma Borsttuig. [N 13, 52]
I-10
|
| 33968 |
borsttuig |
hondsgetuig:
hānts˲gǝtȳx (L314p Overpelt)
|
Trektuig bestaande uit een stel leren riemen, dat wel eens gebruikt wordt in plaats van een haam, als het paard aan de schouders gedrukt is (zie WLD I, afl. 9, p. 111). In een vrij groot aantal opgaven verwijst de benaming voor een deel van het borsttuig naar het geheel, bv. het woordtype borstriem. Het omgekeerde, waarbij de term voor het geheel gebruikt wordt ter aanduiding van een onderdeel ervan, komt minder vaak voor (zie lemma Borstriem). [JG 1b, 1c, 1d, 2c; N 13, 51]
I-10
|
| 33713 |
bos |
bos:
bōs (L314p Overpelt),
bǫs (L314p Overpelt)
|
Een met opgaande bomen beplante uitgestrektheid grond hetzij in natuurstaat of aangelegd. [N 27, 4a; RND 82; L 1a-m; L 22, 7; Vld.; monogr.]
I-8
|
| 20734 |
bosbessenvlaai |
olberenvlaai:
Syst. Frings
ōͅləbērəvlōͅ.i̯ (L314p Overpelt)
|
Vla met vulling van bosbessen (mollebeerevlaoj?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 33773 |
bosje haar dat tussen de oren naar voren hangt |
bles:
blęs (L314p Overpelt)
|
Bosje haar dat van tussen de oren over de kol of het voorhoofd tot over de ogen neerhangt. Zie ook het volgende lemma met bles in de betekenis van een lange, witte streep over de paardekop tot halverwege de neus. Zie afbeelding 2.2. [JG 1a, 1b; N 8, 26; S 27]
I-9
|
| 33771 |
bosje haren aan de bovenlip |
snor:
snǫr (L314p Overpelt)
|
Voelharen aan de bovenlip. [N 8, 24]
I-9
|