| 34239 |
dunne melk |
dunne melk:
døn mɛlk (L314p Overpelt),
melk van een blauwe koe:
mɛlk van ǝn blau̯wǝ ku (L314p Overpelt)
|
Dunne melk met een laag vetgehalte. [N 3A, 74]
I-11
|
| 19310 |
durven |
dorren:
deuren (L314p Overpelt),
durven:
deurven (L314p Overpelt),
dərven (L314p Overpelt)
|
durven [ZND 25 (1937)], [ZND m]
III-1-4
|
| 17895 |
duwen |
duwen:
dòuə (L314p Overpelt)
|
duwen [RND]
III-1-2
|
| 23229 |
dwaallicht |
dwaallicht:
ən dwoͅəlixt (L314p Overpelt)
|
Een dwaallicht (Fr. feu follet). [ZND B2 (1940sq)]
III-3-3
|
| 32772 |
dwarsbalkjes, egscheien |
scheien:
sxęi̯ǝ (L314p Overpelt)
|
De dunnere verbindingsstukken tussen de hoofdbalkjes van deeg. Deze kunnen ook van tanden zijn voorzien, vooral als het de oude driehoekige eg betreft. Voor de plaatsen waar men voor deze scheien geen aparte term gebruikt, zie men het lemma ''de gezamenlijke balken van de eg''. [JG 1a + 1b; N 11, 69b; N 11A, 155b; monogr.]
I-2
|
| 19330 |
dwarsdrijven |
dwarsbomen:
dwarsboomen (L314p Overpelt),
er tegenin werken:
hij werkt r altij tiggen`een (L314p Overpelt)
|
Hij moet altijd dwarsdrijven (anders willen zijn dan anderen). [ZND 23 (1937)]
III-1-4
|
| 19345 |
dwarsdrijver |
dwarsdrijver:
wa `n dwarsdriever (L314p Overpelt),
wa n`n dwarsdriever (L314p Overpelt)
|
Wat een dwarsdrijver! [ZND 23 (1937)]
III-1-4
|
| 19504 |
dweil |
dweil:
dwèèi̯l (L314p Overpelt)
|
Hoe heet de doek uit grof linnen waarmee vocht van de vloer wordt opgenomen ? [ZND 48 (1954)]
III-2-1
|
| 21313 |
eed |
eed:
ieëd (L314p Overpelt),
īd (L314p Overpelt)
|
eed [ZND 23 (1937)]
III-3-1
|
| 24436 |
eekhoorn |
eekhoorntje:
ekhørənt’ə (L314p Overpelt)
|
eekhoorntje [ZND B2 (1940sq)]
III-4-2
|