e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Paal

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
kermis kermis: kɛrmis (Paal) kermis [RND] III-3-2
kermismolen paardjesmolen: ən pērəkəsmølə (Paal) Een kermismolen. [ZND B1 (1940sq)] III-3-2
kermistent tent: tent (Paal), ən teͅnt (Paal) Een kermistent [barak, schob]. [N 88 (1982)] || Een kermistent. [ZND B1 (1940sq)] III-3-2
kern hart: hɛt (Paal) Uitsteeksel dat komt bloot te liggen, wanneer de koe een hoorn afstoot. [A 4, 15; L 20, 15] I-11
kerstmis kerstmis: korsmes (Paal) Hoe vertaalt men in uw dialect: Kerstmis? [ZND 20 (1936)] III-3-3
kettingeg, weide-eg ketting[eg]: kęteŋ[eg] (Paal) De kettingeg bestaat uit een vier-, soms driehoekig raam of slechts uit een losse voor- en achterbalk, waartussen kettingen gespannen zijn. Aan deze kettingen zijn korte en lichte tanden bevestigd. Zie afb. 13 en 14. Met de kettingeg wordt voornamelijk licht werk verricht. Het bekendst is het gebruik als weide-eg. Men bewerkt de weide met de kettingeg om de grasmat luchtiger te maken, om mest te verspreiden en molshopen te slechten. Men kan de kettingeg ook gebruiken om gerooide en in panden gelegde suikerbieten van de aanklevende aarde te ontdoen. Soms wordt met de kettingeg ook akkerland bewerkt. Van enige termen aan het einde van het lemma vindt men de plaatselijke varianten in het lemma ¬¥akkersleep, weidesleep¬¥ vermeld. Voor ''eg'' en ''eg'' zie men de toelichting bij het lemma ''eg''. [JG 1a + 1b + 2c; A 13, 16b; A 40, 10; N 11, 72e + 71 add.; N 11A, 163a + 181f; N 14, 81 add.; N J, 10; N P, 18b; monogr.] I-2
keuken keuken: kø͂ͅkə (Paal) keuken [ZND 12 (1926)] III-2-1
keukenrek keukenrek: kø&#x0304kərɛk (Paal), rek: reͅk (Paal), rɛk (Paal) de plank waarop het keukengerief wordt gezet [ZND 32 (1939)] || een rek (plank waarop potten en pannen staan) [ZND B1 (1940sq)] III-2-1
kibbelen malkander in het haar zitten: ze zitten malkaar wiër in ⁄t haar (Paal) Ze zijn weer aan het kibbelen, twisten. [ZND 36 (1941)] III-3-1
kiel kiel: kiel (Paal), kīl (Paal), kɛil (Paal), kieltje: kilke (Paal) kiel [ZND m] || kiel (kledingstuk voor mannen) [ZND 27 (1938)] || kiel, blauwlinnen of katoenen jasje van werklieden en boeren [keel, toekiel, kletsjet, plankerten] [N 23 (1964)] III-1-3